Vanaf de eerste minuut in PAAZ, de verfilming van de autobiografische bestseller van Myrthe van der Meer, is het duidelijk dat het niet goed met hoofdpersoon Emma (Gaite Jansen) gaat. Met wel érg veel energie rijdt ze midden in de nacht in haar pyjama naar de uitgeverij waar zij werkt om zich daar te storten op een manuscript over een kippenencyclopedie. In de vroege ochtend is feilloos voelbaar hoe haar collega’s haar benaderen met een mix van ongerustheid, verbazing en lichte irritatie. De film zet mooi neer hoe vervreemdend dat moet zijn, dat het gewone leven niet meer vanzelf gaat en smalltalk niet meer mogelijk is. Plaatsvervangend voelde ik voor Emma het ongemak en de schaamte. De makers weten snel een empathische toon te vinden, waarbij je als kijker in de schoenen wordt gezet van zowel patiënt als betrokkenen: Hoe zou ik reageren, wat zou ik doen? Dat is knap.
De manier waarop de GGZ wordt neergezet, rammelt
De film bevat daarna een aantal minder indrukwekkende stukken. Vooral de manier waarop de GGZ wordt neergezet, rammelt. Hoe de psychiater (Georgina Verbaan) Emma op de eerste hulp opvangt is ronduit tenenkrommend, en lijkt rechtstreeks afkomstig uit Grey’s Anatomy, inclusief klipbord waarop zij voor de vorm het een en ander meepent. Ze neemt Emma vervolgens direct op in een psychiatrische kliniek, en noemt terloops dat dat ook gedwongen kan. Op de kliniek lacht Emma alles weg. Dit is knap acteerwerk, maar omdat die opgewektheid nooit wordt bevraagd gaat het vrij snel vervelen. Daarnaast verwacht je op enig moment toch wel wat lijdensdruk, aangezien ze net heeft geprobeerd zichzelf van het leven te beroven. Ik had verder ook gehoopt dat er meer context werd geboden over de relatie tussen Emma en haar ouders maar ook daar blijft de film aan de oppervlakte. Daardoor blijf je je afvragen waar Emma’s pijn precies vandaan komt; wat dreef haar tot wanhoop?
Bij haar medepatiënt Boudewijn (Jonas Smulders) in de kliniek zie je deze pijn een stuk beter en voel je daadwerkelijk hoe zwaar het is als je lijdt aan somberheid en moeite hebt met het reguleren van emoties. De film zet ook goed neer hoe divers de patiëntenpopulatie is op een acute opname-afdeling, waarbij iedereen kampt met hele verschillende klachten. Hierbij is het gelukt om overmatig gebruik van clichés uit de weg te gaan. Alleen voelt de scène waarin de hele afdeling plotseling midden in de nacht wakker wordt ongeloofwaardig. Dat iedereen ineens uit bed stapt, zich verzamelt op de afdeling en stiekem supervrolijk gaat tafeltennissen, doet gekunsteld aan.
Ook de scenes waarin Boudewijn en Emma uit de kliniek ontsnappen zijn een beetje saai; het lukt niet om de spanning over te brengen die bij zo’n ontsnapping hoort. Daardoor blijft het een wat vlak toneelstukje waar twee mensen lekker gek dansend over de straat gaan – en in een chique hotel seks hebben, dat dan weer wel.
Al met al is het dapper hoe de makers hebben geprobeerd hoe het is om op een psychiatrische afdeling te worden opgenomen, en is het een redelijk geslaagde poging om te tonen dat dit iedereen kan overkomen. De geloofwaardigheid laat echter wel wat te wensen over. Daarbij moest ik denken aan het feit dat Bettine Vriesekoop het tafeltennisspel in Marty Supreme ook tenenkrommend vond. Wellicht moet je als psychiater eigenlijk niet gaan naar een film over de PAAZ.





