Onrust over melancholie

Bedreigde Zwaan

Joke Hermsen schreef het essay in het kader van de Maand van de Filosofie met als titel “Melancholie van de onrust”. Ze gaat daarbij uit van de veronderstelling dat de mens het enige dier is dat worstelt met sterfelijkheid. De mens heeft weet van eigen vergankelijkheid en die kennis kenmerkt de mens. Het is precies die kennis en die worsteling, die de mens melancholiek maakt; melancholie karakteriseert ons mensen. En dat hoeft niet alleen negatief te zijn. Melancholie maakt dat mensen zich realiseren dat ze behoefte hebben aan een tegenhanger van melancholie en daarmee aan elkaar. Melancholie fungeert als de ene kant van de medaille, de andere kant is hoop, liefde, vertrouwen en verbinding.

 

 

 

Wat is melancholie?

In haar essay bespreekt Hermsen uitvoering de historie van het begrip melancholie, waarbij in de geschiedenis vaak --maar zeker niet altijd-- ruimte was voor een positieve co-notatie. Ze vertaalt het begrip ook wel met weemoed. Deze invulling van melancholie verwijst naar begrippen als sterfelijkheid en vergankelijkheid. Het raakt daarmee aan Weltschmerz[1], het verdriet om het feit dat de wereld onvolmaakt is. Ook staat het dicht bij wat ‘het menselijk tekort’[2] genoemd kan worden: het feit dat wij als mensen nooit geheel tot elkaar kunnen komen terwijl wij misschien ten diepste dat wel zouden wensen.

In het psychodynamische gedachtengoed wordt wel gesproken van de ambivalentie die de mens kenmerkt, waarbij we aan de ene kant het allemaal zelf willen weten en zelf ons leven autonoom willen vormgeven, en aan de andere kant het liefste in een platonische, romantische of erotische liefde compleet zouden willen vervloeien met ‘de ander’. In lijn daarmee definieert men in psychotherapeutische kringen gezondheid ook wel als het staat zijn om zich tussen die twee uiterste op een goede manier te bewegen of tot een integratie te komen van deze twee uitersten.[3] Als melancholie de ene kant van de medaille is, dan confronteert zij ons dus met een behoefte aan balans of integratie.

Joke Hermsen licht haar invulling van melancholie nog iets verder toe, als ze het contrast met ‘gewoon’ verdriet beschrijft. Bij verdriet gaat het om een persoon of om iets dat verloren is, gemist wordt. Rouw gaat over het zich opnieuw verhouden tot datgene dat verloren is gegaan. Melancholie betreft iets anders, het gaat als het ware om rouwen om iets waarvan je niet weet wat het precies is. Het is niet meer duidelijk waartoe je je moet verhouden waardoor het verdriet terugslaat op het zelf: melancholie.

 

Melancholie omarmen

Joke Hermsen stelt vast dat het een opdracht is van de mens om melancholie een plek te geven. De melancholie moet als het ware omarmd worden. De mens moet tijd nemen voor melancholie. Alleen zo kan die balans ontstaan, die integratie. Het gaat over de integratie van twee bewegingen: het op zichzelf richten en op de ander richten.

Een manier om melancholie te omarmen is volgens haar de kunst. De kunst draagt de tijd en ruimte om stil te staan bij onze vergankelijkheid. Ook kennis kan ons helpen om melancholie te omarmen. Het gaat dan niet om de rat-race die het universitaire wetenschappelijk bedrijf soms kan zijn, maar het klassiekere begrip ‘verlichting’ om tegenwicht te geven aan de druk van de melancholie. Ook in het onderwijs kan daar plek voor zijn, door met jonge mensen aan de slag te gaan met leren reflecteren.

In reizen kunnen we een manier vinden om melancholie te omarmen. Het gaat dan eigenlijk meer om de innerlijke reis dan om de fysieke verplaatsing. Terug naar de natuur, was ooit een vertrouwde slogan, en gaat hier wellicht ook op. Vanzelfsprekend kunnen ook godsdienst, religie en spiritualiteit bijdragen aan het leren omgaan met melancholie; hoewel die ook onnodig veel melancholie kunnen induceren – maar dat terzijde.  Door steeds te zoeken naar manieren om melancholie te integreren in het leven, kan ook een louterende functie van melancholie ontstaan. 

Samenvattend kunnen we stellen dat Joke Hermsen de mens ziet als melancholiek wezen dat als opdracht heeft de melancholie ruimte en tijd, ofwel onszelf rust te geven om zo in balans te kunnen komen in het spanningsveld van bewegingen.

 

Tijd

Rust impliceert ook tijd. Hermsen maakt daarbij onderscheid tussen chronos en kairos. Chronos is de tijd op de klok, de kwantitatieve tijd, de tijd in seconden, uren of jaren, de tijd die ons haastig maakt, die zorgt dat wij op tijd komen of zorgt dat we kunnen vaststellen dat we te laat waren. Daartegenover staat de kairos, tijd als ervaring. Het gaat om de gemiste stations als je in de trein een goed boek leest. Het betreft ‘quality time’, tijd om zinvol en bewust met jezelf of de ander bezig te zijn. Kairos is de kwalitatieve tijd. 

Maar tegenwoordig is er geen tijd meer voor rust. Hermsen stelt dat in onze maatschappij melancholie uit balans is en dat komt doordat de chronos domineert en er voor kairos geen plek meer is. Onze maatschappij wordt gekenmerkt door haastigheid, spanning en onzekerheid. Dat maakt dat er geen ruimte meer is voor melancholie. 

Onder die omstandigheden kan melancholie omslaan in ‘depressie’, zo stelt Hermsen. Ze refereert daarbij aan cijfers van de WHO.  Miljoenen worden volgens die organisatie geclassificeerd[4] als ‘ernstig depressief’ en een veelvoud daarvan voldoet aan de criteria van mildere vormen van depressie. Ook in haar essay verwijst ze daarbij naar DSM als overheersend paradigma in de psychiatrie. 

 

Van ongebalanceerde melancholie…

Joke Hermsen omschrijft, kortom, depressie als ongebalanceerde melancholie. Die melancholie zelf is het probleem niet, het is de mens eigen, karakteriseert ons. Ik herken mij in haar analyse dat melancholie uit balans kan raken. In mijn spreekkamer kunnen patiënten soms heel mooi, helder en scherp, en vaker wat vager, vertellen over de existentiële vragen waar zij mee worstelen en weemoedigheid die dat, vaak al hun leven lang, af en toe of regelmatiger met zich meebrengt.

Door invloeden van de maatschappij centraal te stellen in haar analyse, schaart Hermsen zich in de traditie van de antipsychiatrie, en ook het werk van Ivan Illich is in dat opzicht interessant. Kort gezegd werd toen gesteld dat ziekte niet zozeer iets is dat ons overkomt, dat in onze genen zit of dat gaat over neurobiologische verstoringen, maar dat het de maatschappij is die ons ziek maakt. Dat lijkt erg op wat Joke Hermsen dominantie van de chronos noemt, die ziekmakend kan werken. 

Haar stelling was dat rust, al dan niet gevonden in de kunst, spiritualiteit, natuur, reizen, ons kan helpen om de melancholie weer in balans te krijgen. Rust maakt ons tot gezonde mensen en tot krachtigere mensen. Ook daar kan ik me goed in vinden. Rust en onthaasting dragen zeker bij aan gezondheid, en zo ook kairos. Ook dat is niet nieuw, denk aan de opmars van mindfulness en yoga.

Kortom, de negatieve rol van de maatschappij, de positieve rol van rust: het is niet nieuw en er is ook heus enige consensus over. Maar Hermsen maakt nog een stap en noemt ongebalanceerde melancholie een ziekte of een stoornis (te weten: depressie).

 

… naar depressie

Hermen problematiseert het concept ‘depressie’. Vele gingen haar voor, en vaak ook bijzonder nauwkeurig onderbouwd en empirisch gestaafd. Ik noem bijvoorbeeld het boek van Horwitz en Wakefield, met de veelzeggende titel ‘The loss of sadness’, de boeken van Verhaeghe, De Wachter en natuurlijk het onvolprezen werk van Dehue, die ook in Hermsens essay aangehaald wordt. Zij beschrijven nu juist dat het ziekmakend is om iets dat normaal is, in Hermsens terminologie de melancholie, en dat weliswaar uit balans is geraakt (maar is dat eigenlijk niet ook heel normaal) te verbinden aan iets medisch, of iets psychiatrisch.

Horwitz en Wakefield beschrijven dat er weinig ruimte is voor verdriet. Even verdrietig zijn, dat kan nog wel, maar het mag niet te lang duren en ook niet gepaard gaan met te veel overlast voor anderen (denk aan verzuim). Dan gaat het al snel depressie heten. Want ook de persoon zelf wil liever niemand tot last zijn, en dan is het handig dat het ‘ziekte’ mag heten en dat er pillen voor zijn. Ook Dehue beschrijft dat er in onze maatschappij weinig ruimte is voor falen, voor ongelukkig zijn en voor weinig succes hebben. Er moet dan wel iets aan de hand zijn, en dat wordt dan snel depressie genoemd en benoemd in termen van ziekte. Of in de woorden van Verhaeghe: wie geen succes heeft zal ziek zijn. De Wachter vraagt zich zelfs af: zij wij collectief op weg naar ziekte en ongenoegen?

En eigenlijk lijkt Hermsen hetzelfde te doen. Ze beschrijft heel helder wat melancholie is en hoe het uit balans kan geraken en onderbouwt dat op overtuigende wijze. Maar door de stap richting ziekte te zetten, doet ze datgene dat Horowitz en Wakefield, Verhaeghe, De Wachter en Dehue en uiteindelijk ook ik problematiseren: normaliteit benoemen in termen van ziekte. En dat roept weer een nieuwe vraag op: zouden we het niet als ziekte van onze tijd moeten zien dat ongebalanceerde melancholie zo snel depressie genoemd wordt?

 

De maatschappij & depressie

Liever zou ik simpelweg willen vaststellen dat we leven in een haastige maatschappij waarin het nu eenmaal zo is dat ongebalanceerde melancholie snel ‘depressie’ (what ever that may be) genoemd wordt.  Als we de keuze gehad hadden, hadden we misschien liever een rustiger maatschappij verkozen met meer balans.  Inmiddels werk ik zo'n 10 jaar in de psychiatrie en ik weet het niet zo zeker wat betreft die keuze. Ik bemerk bij mijzelf eerder een soort van berusting. 

Ik zie dat depressief zijn erbij hoort voor bepaalde groepen mensen. Er worden depressiegala’s georganiseerd, er is een dag van de depressie, bekende Nederlanders en zelfs leden van Koningshuizen spreken er ‘openlijk’ over. Ik zie dat depressie gewoonweg een onderdeel geworden is van onze maatschappij. Of er sprake is van een juiste medisch-psychiatrische diagnose is niet meer aan de orde. En ook de vraag of de behandeling in deze gevallen wel de meest passende was, wordt ook niet gesteld.

Ik wil een fenomeen als een ernstige depressieve stoornis (major depressive disorder) geenszins bagatelliseren. Zo’n stoornis verdient snelle en goede behandeling door kundige psychiaters. En ook het hebben van een ‘depressie’ (of dat nu de medisch-psychiatrische diagnose depressieve stoornis betreft, of iets anders) gaat gepaard met lijden. Daar moet en mag aandacht voor zijn.

Maar dat gezegd hebbende, probeer ik ook te beschouwen en stel vast dat ‘depressie’ niet meer weg te denken is uit onze samenleving. Ik ga daarbij voorbij aan de vraag of dat wenselijk is, of ethisch, of juist moreel laakbaar. Het is gewoon zo.

 

Via rusteloosheid naar berusting

Men zou als kritiek op mijn stelling kunnen formuleren dat de maatschappij waarin we leven niet het gevolg is van een vrije keuze. Er was nooit een moment waarin wij als collectief, laat staan als individu het dilemma voorgelegd kregen: liever een haastige maatschappij met als bijvangst depressie, maar ook welvaart, vooruitgang en vernieuwing; of toch maar een rustige maatschappij met balans als resultaat misschien wel stilstand. Want een rustiger maatschappij heeft ook een keerzijde.  Ik refereer aan het werk van Devisch die juist stelt een beetje rusteloosheid op zijn tijd juist ook stimulerend werkt; passie, creativiteit en verlangen bestaan immers bij gratie van ongedurigheid. Uiteindelijk gaat het ook hier om balans tussen rust en onrust.

Een laatste vraag die ik mij stel is: hoe kan het dat ik die eerdergenoemde berusting voel. Wellicht heb ik de chronos verlaten en heb ik middels kairos mijn melancholie omarmd. Misschien heb ik geprobeerd het esthetische van de haastige maatschappij te beschouwen en daarmee rust te vinden. Ik omarm als het ware mijn melancholie en die van onze samenleving.

Deze constatering staat op gespannen voet met de eed van Hippocrates, die ook ik ooit heb afgelegd. Want die eed (en ook modernere Nederlandse artseneed) vraagt van mij dat ik streef naar gezondheid voor al mijn patiënten, en dus naar rust, bezinning, integratie, kairos. Ik streef dan wel zelf enige rust na; de rusteloosheid van de maatschappij en van mijn patiënten kan ik prima verdragen.

Maar goed, ook bij mij zijn kairos en chronos –gelukkig-- niet helemaal in balans. Deze bijdrage typ ik namelijk tussen allerlei werkzaamheden en taken thuis door. Snel, snel, want strakjes is de Maand van de Filosofie weer voorbij – en is dit stuk mosterd na de maaltijd; en dat zou mij toch wat weemoedig maken. Melancholie omarmen is één ding, haar nastreven is toch weer wat anders…

 

Voetnoten

[1] Zie bijvoorbeeld auteurs als Richter 

[2] Kant schreef er over op een iets andere manier, en door de eeuwen heen is dit begrip anders ingevuld. Ik ben zo vrij mijn eigen invulling hier te gebruiken

[3] Integratie is bijvoorbeeld een belangrijk aspect in het werk van Kernberg, en misschien nog wel meer bij Melanie Klein

[4] Classificatiecriteria zijn in dit verband problematisch, ik schreef hier eerder over in Tijdschrift voor Psychiatrie.