Een aantal mythes over suïcide ontkracht…

Met ongeveer drie zelfdodingen per dag liggen de suïcidecijfers in Vlaanderen ongeveer anderhalve keer hoger dan het Europese gemiddelde. Om deze hoge cijfers te doen dalen werd in 2002 het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie (VAS I) uitgewerkt. Het doel was om zelfdoding bij mannen en vrouwen met 8% te verminderen ten opzichte van 2000 - een doelstelling die overigens behaald werd. Het tweede Vlaams Actieplan Suïcidepreventie (VAS II) beoogt een daling van 20% tegen 2020.

Eén van de strategieën om deze daling te bereiken, is deskundigheidsbevordering van intermediairs. De suïcidepreventiewerkers van de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) in Vlaanderen bieden dit aan. In hun vormingen leggen zij de nadruk op het herkennen van signalen, het bespreekbaar stellen van suïcide en het doorbreken van een aantal vastgeroeste ideeën rond zelfmoord, die kunnen leven bij de patiënt, diens familie of bij hulpverleners. Hieronder een paar voorbeelden:

 

Mythe: “Het onbeperkt tonen van suïcidaliteit in de media en in series is nodig om het taboe te doorbreken”

Naar aanleiding van de Netflixserie ‘13 Reasons Why’ is deze discussie weer erg actueel geworden. Suïcidaal gedrag kan geleerd worden door middel van imitatie na blootstelling aan voorbeelden van suïcidaal gedrag. Dit noemen we het copycat-fenomeen. Hoe meer iemand zich kan identificeren met de persoon die zelfmoord pleegde, hoe groter de kans dat men dit gedrag kopieert. Vooral jongeren en adolescenten die al suïcidaal zijn, zijn gevoelig voor dit fenomeen. (G. Portzky en K. Van Heeringen, 2002) Daarom is het zo belangrijk dat media hun berichtgeving over zelfmoord aanpast aan de mediarichtlijnen die werden opgesteld door Werkgroep Verder. Deze organisatie behartigt de belangen van nabestaanden na zelfdoding. In deze richtlijnen wordt gevraagd juiste informatie te geven over suïcide, d.w.z. dat suïcide moet gekaderd worden als een complex samenspel van verschillende factoren. Verder vraagt men hoopgevend te zijn en het aantal berichten over de zelfdoding te beperken. Klik hier voor meer informatie over de mediarichtlijnen.

 

Mythe: “Iemand die een zelfmoordpoging doet, wil dood.”

Dat is beslist niet altijd zo: hij wil niet dood, maar wil een ander leven. Het leven zoals het nu is, wordt immers als zo ondraaglijk ervaren dat alles, zelfs de dood, beter is dan verder te moeten leven. De definitie van suïcide luidt als volgt: “een ongebruikelijke handeling met een fatale afloop waartoe de overledene, die de mogelijke fatale afloop kende en verwachtte, zelf de aanzet heeft gegeven met de bedoeling om de gewenste veranderingen tot stand te brengen”. (De Leo et al., 2004) Een zelfmoordpoging wordt gedefinieerd als: “een ongebruikelijke handeling met een niet-fatale afloop waartoe de overledene, die verwachtte of het risico nam om te sterven of zichzelf te verwonden, zelf de aanzet heeft gegeven met de bedoeling om de gewenste veranderingen tot stand te brengen” (De Leo et al., 2004). Iemand die een zelfmoordpoging doet heeft dus niet als doel te willen sterven, maar wil verandering bewerkstelligen. Die verandering kan de dood zijn, maar ook de hoop op een ander leven.

 

Mythe: “Iemand die over zelfmoord praat, doet het niet. “

Praten over zelfmoord is een verbaal signaal dat aangeeft dat iemand zich in een suïcidaal proces bevindt. Er zijn ook non-verbale of gedragsmatige signalen. Alle signalen zijn evenwaardig en moeten ernstig genomen en besproken worden. Meer dan de helft van de suïcidanten zendt vooraf signalen uit (McPhedran & De Leo, 2013), maar vaak worden die niet (h)erkend. Wie niet over zijn zelfmoordgedachten kan spreken, zal sterker vast komen te zitten in een tunnelzicht, waarbij suïcide nog de enige oplossing lijkt.

 

Mythe: “Als iemand ooit geprobeerd heeft zichzelf te doden, is de kans veel kleiner dat hij of zij het nog eens probeert. “

Integendeel. Mensen die ooit een zelfmoordpoging deden, zijn extra kwetsbaar voor herhaald suïcidaal gedrag (Carroll, Metcalfe & Gunnell, 2014; Hawton et al., 2015). Dit effect is cumulatief. Hoe meer pogingen men doet, hoe groter de kans om te overlijden. Een mogelijke verklaring hiervoor vinden we in de theorie van Joiner (2005). Joiner stelt dat de kans op suïcide toeneemt wanneer volgende 3 zaken aanwezig zijn: de persoon heeft het gevoel alleen te zijn, de persoon heeft het gevoel een last te zijn voor anderen en de persoon is in staat veel pijn en angst te verdragen. Een zelfmoordpoging maakt iemand ‘bekwamer’ in het verdragen van angst en pijn. Hoe meer de persoon experimenteert met zelfmoordpogingen, hoe makkelijker de drempel van angst en pijn te overwinnen is en hoe groter de kans dus op een fatale poging.

 

Mythes zoals deze uit de wereld helpen, zijn alvast een stap in de goede richting.

De suïcidepreventiewerkers in Vlaanderen en Brussel werken vanuit het CGG aan deskundigheidsbevordering en netwerkvorming bij intermediairs. Suïcidepreventiewerkers zijn er om hulpverleners en organisaties te ondersteunen in hun werk met suïcidale cliënten. Zo kan je bij de suïcidepreventiewerker van jouw provincie terecht voor consult en advies omtrent cliënten en kan je ook een vorming volgen om je vaardigheden te verfijnen. In zo een vorming komen zowel theorie als praktijk aan bod. Een organisatie die een suïcidepreventiedraaiboek wil opstellen, kan een SP-medewerker contacteren om een coachingstraject uit te stippelen. In een draaiboek worden een aantal basisprincipes in de hulpverlening aan suïcidale personen benadrukt. Zo is het erg belangrijk om een goed, empathisch contact op te bouwen met de patiënt. De veiligheid moet steeds bevorderd worden, bijvoorbeeld door middel van een safety plan of door het wegnemen van het suïcidemiddel. Het is ook belangrijk om naasten zoveel mogelijk te betrekken in de hulpverlening en te zorgen voor zorgcontinuïteit. De suïcidepreventiewerkers en vormingen in jouw provincie vind je terug op de website www.zelfmoord1813.be. In maart 2017 werd door VLESP (Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie) ook een richtlijn gelanceerd voor hulpverleners rond de detectie en behandeling van suïcidaal gedrag. Deze richtlijn heeft als doel de deskundigheid van hulpverleners in het omgaan met suïcidale patiënten te vergroten. De richtlijn richt zich in eerste plaats tot artsen, psychologen en verpleegkundigen, maar ook andere hulpverleners kunnen hiermee aan de slag. De richtlijn werd in een handige E-learning website gegoten zodat je er meteen praktisch mee aan de slag kan gaan. Artsen kunnen accreditatie bekomen wanneer ze hun RIZIV-nummer invullen. De E-learning website vind je hier.

 

Bronnen

Carroll, R., Metcalfe, C. & Gunnell, D. (2014). Hospital Presenting Self-Harm and Risk of Fatal and Non-Fatal Repetition: Systematic Review and Meta-Analysis. PLoS One, 9(2), e89944. Journal Article

De Leo, D., Burgis, S., Bertolote J.M., Kerkhof, A., Bille-Brahe, U. (2004). Definitions of Suicidal Behaviour. In D. De Leo, U. Bille-Brahe, A. Kerkhof, A. Schmidtke (Eds.), Suicidal behavior: theories and research findings (pp. 18-37). Ashland, OH: Hogrefe & Huber.

Hawton, K., Bergen, H., Cooper, J., Turnbull, P., Waters, K., Ness, J., & Kapur, N. (2015). Suicide following self-harm: Findings from the Multicentre Study of self-harm in England, 2000-2012. Journal of Affective Disorders, 175C, 147-151

Joiner T. Why people die by suicide. Cambridge, MA, US: Harvard University Press; 2005.

McPhedran, S. & De Leo, D. (2013). Miseries suffered, Unvoiced, Unknown? Communication of Suicidal Intent by Men in "Rural" Queensland, Australia. Suicide and life-threatening behaviour. 43(6).589-597

Portzky, G. & Van Heeringen, K. (2002). Copycat Suicide. Neuron, 7, 3-9.

 

Kirsten O is suïcidepreventiewerker vanuit CGG PassAnt vzw.

Logo CGG Passant full

Zelfmoordlijn1813 full Logo Vlaanderenzorg fullLogo VAS full