Financiële gift beïnvloedt de hersenactiviteit van baby's

Money Cash Coin

Er wordt al langere tijd gesuggereerd dat armoede een negatieve impact heeft op de cognitieve ontwikkeling van kinderen [1]. Dit werd recentelijk pijnlijk duidelijk in de tv-serie Klassen. Daar keken we onder andere naar Anyssa, toentertijd 10 jaar, die als voorlopig schooladvies havo/vwo kreeg. Het was echter de vraag of dat zou lukken gezien de armoedige thuissituatie waarin zij zich bevond.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Armoede in de vroege jeugd blijkt inderdaad een risicofactor voor slechtere schoolprestaties en meer emotionele en gedragsproblemen op latere leeftijd [2]. Armoede is gecorreleerd met de ontwikkeling en functionele activiteit van hersenregio’s betrokken bij de gebieden die nodig zijn voor schoolse vaardigheden en psychisch functioneren. Zo is een hoger gezinsinkomen geassocieerd met een groter oppervlakte van de cerebrale cortex, vooral in de gebieden die een rol spelen bij taal en executief functioneren van het kind (zoals temporale cortices, medio-orbitofrontale cortex, en de cingulaire cortex) [3]. Het sterkste verband tussen inkomen en hersenontwikkeling werd gevonden bij de meest economisch achtergestelde gezinnen [3] [4].

Er is dus een (cross-sectionele) associatie tussen inkomen en de cognitieve ontwikkeling van een kind. Maar is er ook sprake van een causaal effect? Met andere woorden: leidt het opgroeien in armoede tot verschillen in de vroege ontwikkeling van de hersenen in vergelijking met hen die niet in armoede opgroeien? Of wordt het verband tussen inkomen en hersenactiviteit beïnvloed door andere factoren (in andere woorden, is er sprake van confounding)?

 

Hoe werd dit onderzocht?

Amerikaanse onderzoekers bestudeerden dit in een gerandomiseerde gecontroleerde trial (RCT) en publiceerden hun resultaten in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences [5]. Door geblindeerde randomisatie worden mogelijke verstorende effecten van confounders geminimaliseerd, wat het dus makkelijker maakt om oorzaak en gevolg van elkaar te onderscheiden. In totaal werden 435 moeders met een laag inkomen geïncludeerd en vervolgens gerandomiseerd. De helft van de vrouwen kreeg bij deelname elke maand 333 dollar en de andere helft ontving slechts 20 dollar.

Na een jaar bezochten de onderzoekers de gezinnen opnieuw en werd de hersenactiviteit van hun inmiddels 1-jarige kinderen gemeten middels elektro-encefalogram (EEG). Twee soorten herseneffectiviteit werden in kaart gebracht. Ten eerste werden de α-, β-, en γ-power gemeten, welke in eerder onderzoek in verband werden gebracht met hogere taal-, cognitieve- en sociaal-emotionele scores. Ten tweede maten de onderzoekers de θ-power, welke eerder geassocieerd leek te zijn met de ontwikkeling van gedragsproblemen, aandachts- en leerproblemen. De onderzoekers stelden als hypotheses dat kinderen van de ‘333 dollar’- moeders één jaar na hun geboorte een grotere α-, β-, en γ-power lieten zien en een verminderde θ-power, vergeleken met de ‘20 dollar’- moeders.

 

Wat waren de bevindingen?

Hun hypotheses bleken deels te kloppen: er werden bij de ‘333 dollar’- kinderen inderdaad grotere α-, β-, en γ-power (geassocieerd met cognitieve vaardigheden) gevonden dan bij de ’20 dollar’. De effectgrootte (SD) was matig tot klein van grootte, met variaties tussen de 0.17 en de 0.26, afhankelijk van de gemeten golf. Er was, in tegenstelling tot hun hypothese, geen sprake van een verminderde θ-power bij de ‘333 dollar’- kinderen (geassocieerd met gedragsproblemen, aandachts- en leerproblemen).

 

Wat betekent dit voor de praktijk?

Vanwege het RCT-design van deze studie concludeerden de auteurs dat hun uitkomsten wijzen in de richting van een causaal verband tussen armoede en hersenactiviteit: aangezien de twee studiegroepen vergelijkbaar zijn en blind gerandomiseerd werden, zouden de gevonden groepsverschillen in hersenactiviteit het gevolg zijn van de interventie. Dat wil zeggen: verbetering van de economische situatie leidde tot veranderingen in de hersenactiviteit van het kind, wat mogelijk zou kunnen resulteren in beter (cognitief en/of adaptief) functioneren. Het is echter de vraag welke ervaringen deze aanpassingen teweeg hebben gebracht: heeft het extra geld geleid tot meer huishoudelijke uitgaven, tot een verandering van gedrag van de ouders of tot vermindering van de door de kinderen ervaren stress bij ouders? Dat is vooralsnog onduidelijk op basis van dit onderzoek en zou moeten blijken uit vervolgonderzoek.

Daarnaast impliceerden de auteurs dat de gemeten hersenactiviteit 1-op-1 staat voor cognitieve vaardigheden (α-, β-, en γ-power) en gedrags- en leerproblemen (θ-power). Het bewijs uit de literatuur dat zij daarvoor aandragen is echter wat mager, gezien een oorzakelijk verband met real-life uitkomsten nog niet vaststaat. Al stippen zij dit punt aan in hun limitaties, wellicht had een andere primaire uitkomstmaat wel meer klinische relevantie gehad. Hier kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ontwikkelingsmijlpalen, gedrag, gehechtheid etc.

Ook kan er ook nog wel kritiek worden gegeven op de kleine grootte van het effect. Bovendien waren de meeste resultaten slechts op het randje statistisch significant, welke bovendien na correctie voor multiple testing wegvielen, wat de auteurs verbloemden met mooie zinnen als “did not reach conventional levels of statistical significance" & "at the margins of statistical significance”. Dit komt simpelweg neer op statistisch niet significant.

Tevens was de duur van de follow-up slechts een jaar. Het is dus onbekend of de verandering in hersenactiviteit bij de ‘333 dollar’ -kinderen blijvend is, en misschien nog belangrijker, of de verandering in hersenactiviteit leidt tot betere schoolprestaties op latere leeftijd. De onderzoekers zullen de kinderen daarom tot een leeftijd van 52 maanden blijven volgen en de ouders blijven gedurende die tijd maandelijks de verschillende geldbedragen ontvangen. Wellicht kunnen de auteurs dan onderzoeken in hoeverre gevonden verschillen in de hersenactiviteit verantwoordelijk zijn voor het verband tussen armoede en gedrag en schoolprestaties bij deze jongere kinderen.

Al met al is er wel het een en ander aan te merken op deze studie, maar wijst deze wel naar het belang van vroege interventie bij gezinnen waar armoede een rol speelt of dreigt te spelen. Het is opmerkelijk om te insinueren dat mensen meer geld nodig hebben omdat het hun hersenactiviteit ten goede komt. Mensen met een economische achterstand financieel ondersteunen is altijd goed, onafhankelijk van mogelijke effecten op hersengolven. Zoals het ernaar uitziet hebben kinderen (en de maatschappij) daar op latere leeftijd meer baat bij.

 

Referenties:

[1] Brooks-Gunn J et al.. The Effects of Poverty on Children. The Future of Children. 1997;7(2):55-71.

[2] Duncan GJ et al. Early-childhood poverty and adult attainment, behavior, and health. Child Dev. 2010 Jan-Feb;81(1):306-25. doi:10.1111/j.1467-8624.2009.01396.x. PMID: 20331669.

[3] Noble KG et al. Family income, parental education and brain structure in children and adolescents. Nat Neurosci. 2015 May;18(5):773-8. doi:10.1038/nn.3983. Epub 2015 Mar 30. PMID: 25821911; PMCID: PMC4414816.

[4] Hair NL et al. Association of Child Poverty, Brain Development, and Academic Achievement. JAMA Pediatrics. 2015;169(9):822-9.

[5] Troller-Renfree SV, Costanzo MA, Duncan GJ, Magnuson K, Gennetian LA, Yoshikawa H, Halpern-Meekin S, Fox NA, Noble KG. The impact of a poverty reduction intervention on infant brain activity. Proc Natl Acad Sci U S A. 2022 Feb 1;119(5):e2115649119. doi:10.1073/pnas.2115649119. PMID: 35074878; PMCID: PMC8812534.


Twitter

Nieuwsbrief

Disclaimer/Privacy