Depressieve symptomen in de adolescentie: genen & omgeving

Evelien van Assche

Op 5 Maart 2018 promoveerde Evelien Van Assche aan de Katholieke Universiteit van Leuven op het proefschrift “Depressieve symptomen in de adolescentie: genen & omgeving”. Hieronder volgt een samenvatting van haar onderzoek.

Achtergrond

Of het nu in de genen zit, of dan toch door de omgeving bepaald wordt… deze vraag houdt gedragswetenschappers aller aard al lange tijd bezig, zo ook psychiaters. Voor psychiatrische ziektebeelden vinden we vaak, ook niet altijd, concrete risicofactoren onder de vorm van stressoren in de omgeving, denk maar aan vroegkinderlijk trauma, anderzijds blijft er ogenschijnlijk ook een biologisch overerfbare component aan het verhaal bestaan. Tweelingsstudies gaven alvast een eerste schatting wat de heritabiliteit, de overerfbaarheid, betreft. Toch lijkt het meer en meer om een samenspel van genetische kwetsbaarheid om secundair aan bepaalde stressoren, symptomatologie of een ziektebeeld te ontwikkelen. In dit onderzoek testen we deze hypothese door bij ongeveer 1000 adolescenten na te gaan of genetische varianten, onder de vorm van gen-omgevingsinteracties, en epigenetische verschillen (m.n. DNA methylatie) inderdaad het risico op het brengen van depressieve symptomen beïnvloedt. Als risico, maar ook protectieve factor, kijken we naar hoe deze adolescenten hun ouders ervaren: vb. eerder steunend, of dan toch vooral manipulerend, of straffend?

Dit alles bekijken we tegen een achtergrond die bepaald wordt door het voortschrijdend inzicht van GWAS-studies en polygene modellen: voor hoofdeffecten weten we dat meerdere genetische varianten samen het risico op psychiatrische stoornissen beïnvloeden, waarom zou dat anders zijn voor gen-omgevingsinteracties en DNA methylatie? Tegen deze achtergrond begint de zoektocht naar polygene gen-omgevingsinteractiemodellen en de rol van DNA methylatie als endophenotype en risicofactor bij depressieve symptomen in de adolescentie. Het nature-nurture debat, wordt een ‘nature interageert met nurture’ debat.

 

Omgeving

In lijn met de bestaande literatuur, vinden we dat depressieve symptomen in de adolescentie sterk samenhangen met hoe adolescenten hun ouders ervaren. Ervaren steun in ouderschap is protectief, ervaren manipulatief ouderschap hangt het sterkst samen met depressieve symptomen, gevolgd door de impact van het ervaren van fysieke straffen en niet-fysiek straffend ervaren ouderschap. Hoe adolescenten hun ouders ervaren, heeft de grootste impact, groter dan hoe ouders zichzelf hierin ervaren. Tot slot, kunnen deze verschillen in perceptie bekeken worden als een maat om ‘mismatch’ in communicatie te bekijken. Vermoedelijk is dat de reden waarom we zien we dat deze mismatch bij ervaren psychologische controle (manipulatief) sterker samenhangt met depressieve symptomen, dan wat de ouders rapporteren.

 

Gen-omgevingsinteracties

In lijn met de bestaande literatuur, werd ook in dit onderzoek nagegaan hoe gekende en vaak bestudeerde VNTRs een rol kunnen spelen in de kwetsbaarheid voor depressieve symptomen in adolescentie met ervaren ouderschap als stressor. Na correctie voor multiple testing, vinden we een effect voor 5-HTTLPR en de mismatch in ervaren proactieve controle (‘streng maar rechtvaardig’ ouderschap). Met adolescenten met een kort allel die bij een grotere mismatch, meer depressieve symptomen rapporteren.

Tegen de achtergrond van de polygene hoofdeffecten, behelst de volgende stap de zoektocht naar een manier om ook gen-omgevingsinteracties van daaruit te benaderen. Uiteindelijk brengt een gen-gebaseerde werkwijze aan het licht dat het effect van ervaren steun op depressieve symptomen beïnvloed wordt door genetische varianten in de genen GABRR1 en GABRR2, twee sub-units van de GABA-receptor. Tegelijkertijd is dit een proof-of-concept verhaal wat polygene gen-omgevingsinteracties betreft. Daarom is het ook belangrijk dat de resultaten bevestigd werden in een onafhankelijke dataset (TRAILS).

 

Epigenetica, DNA methylatie

In dezelfde lijn kent het veld van DNA methylatie een evolutie naar polygene modellen met de epigenome-wide 450k (en 850k) chips. Bij een subset van deze populatiesteekproef (N=44) werd een verkennende epigenoomwijde analyse uitgevoerd die het gen PEX10 op de voorgrond bracht. DNA methylatie verschillen werden vergeleken tussen een groep die ‘goed’ en een die ‘slecht’ ouderschap rapporteerden (na clusteranalyse). Verdere analyse van dit gen in een groep van 100 adolescenten bracht aan het licht dat de methylatie beïnvloed lijkt door de leeftijd. Verder toonde deze analyse aan dat methylatie kan voorbeschikken voor depressieve symptomen 2 jaar later in de groep die ‘slecht’ ouderschap rapporteerden.

Tot slot kozen we ervoor deze longitudinale piste verder te verkennen in een gen dat we al goed kennen: NR3C1, een gen al vaker beschreven in de context van trauma. In een longitudinaal design vergelijken we DNA methylatie voor dit gen in dezelfde 100 adolescenten. Van 67 van hen hebben we ook een tweede staal om longitudinale verschillen te bestuderen en te kijken hoe DNA methylatie in de adolescentie evolueert, afhankelijk van de ervaren ouderlijke context. De conclusie is inderdaad dat op T0 geen verschil bestaat tussen de twee groepen, maar er twee jaar later wel een effect lijkt te bestaan. De vraag blijft welke cruciale rol adolescentie als levensfase speelt in deze ontwikkelingen en de observatie dat veel psychopathologie zijn oorsprong vindt in de adolescentie.

 

Conclusie

In dit onderzoek tonen we aan dat kwetsbaarheid voor depressieve symptomen in de adolescentie en gevoeligheid voor beschermende of schadelijke invloeden van 'parenting' inderdaad door gen - omgevingsinteracties en DNA methylatie beïnvloed kunnen worden. Het samenspel van nature en nurture lijkt het landschap van de adolescentie en de nakende volwassenheid op een bepalende manier mee vorm te geven.

Meer Informatie?