Psychiaterscolumn: De wurggreep van een onuitvoerbaar mandaat

Overleg Plegen Geestelijke

In deze rubriek pakken de redactieleden van De Jonge Psychiater om beurten de pen op om hun persoonlijke visie op de psychiatrie te ontvouwen. Deze keer is dat Jurriaan Strous.

 

Wij psychiaters mogen onszelf gelukkig prijzen. Er worden ons goddelijke gaven toegedicht. Is het u nooit opgevallen dat als u op een feestje bent, en u laat vallen welk vak u uitoefent, mensen het gevoel lijken te hebben dat u ‘door hen heen kunt kijken’? Een ander talent dat ons toegedicht wordt, is dat wij de toekomst kunnen voorspellen. Als een tbs-­patiënt tijdens zijn verlof een delict begaat, verkeren zowel de media als de politiek in opperste verbazing: welke voortekenen zijn er gemist? Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Niet zelden is het gevolg dat in het hele land de beveiligingsmaatregelen aangescherpt worden. Met suïcides is het niet anders – ook hierbij is er de zweem van de notie dat wij dit zouden moeten kunnen voorspellen. Als iemand ondanks alle inspanningen een einde aan zijn leven gemaakt heeft, wordt onderzocht of er geen voortekenen gemist zijn, of de zorg niet beter had gekund.

 

Je zou verwachten dat als je zo’n gewaardeerd en gelauwerd beroep verricht, de juiste middelen ter beschikking gesteld worden om dat beroep ook naar behoren uit te voeren. Maar dat is helaas niet helemaal het geval, waardoor het ook steeds mak­kelijker wordt om kritiek te geven op de door de overheid wel haast ‘geïnvalideerde psychiatrie’. Onder leiding van voormalig minister Schippers zijn rampzalige bezuinigingen doorgevoerd: zo werd het aantal bedden voor psychiatrisch patiënten flink verminderd. Als verdediging voor dit beleid werd aangevoerd dat te veel patiënten werden opgenomen. Als we de capaciteit ver­minderen, zal de vraag ook wel afnemen, was de redenering. Een dergelijke redenering voor een fysieke aandoening zou als volgt luiden: als we een aantal orthopedische operatiekamers sluiten, zal het aantal mensen met kapotte knieën ook afnemen.

 

Als gevolg van deze verschraling bestaat een groot deel van de werkdag van de hedendaagse kliniekpsychiater uit het reguleren van de beddendruk: je moet patiënten snel, soms te snel, met ontslag sturen om ruimte te maken voor de volgende. Want in tegenstelling tot de onwaar gebleken neoliberale profetieën, blijkt het aantal patiënten na de beddenreductie niet afgenomen te zijn. Neen, de ziektelast neemt juist zienderogen toe.

 

En als het dan misgaat, als een mogelijk te vroeg naar huis gestuurde patiënt een delict begaat, dan wordt naar de ggz gewezen. Dan heeft de ggz voortekenen gemist. Er zijn in zo’n geval twee dingen aan de hand. Ten eerste kan de psychiater dergelijke zaken lang niet altijd voorspellen. Ten tweede worden we – door de afnemende klinische capaciteit en de toenemende bureaucratische regeldruk – niet goed in staat gesteld ons vak naar behoren, én met de patiënt in het centrum, uit te voeren.

 

Misschien moeten we als deze ontwikkeling zich doorzet – net als onze collega’s in de forensische psychiatrie, die te kennen gaven hun werk niet meer uit te kunnen voeren als hen niet voldoende middelen ter beschikking gesteld werden – op ferme toon een streep trekken. We moeten uit de fuik blijven waarin we steeds meer obscure verplichtingen krijgen, zoals het verantwoorden van zorgpaden en tijdschrijven, terwijl er aan onze stoelpoten wordt gezaagd door ons niet de noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen. We willen met liefde en toewijding zorgen voor de patiënt, en moeten daartoe dan ook in staat worden gesteld.

 

De referenties bij dit artikel vindt u bij de online versie op www.depsychiater.nl


Twitter

Nieuwsbrief

Disclaimer/Privacy