Van mzungu tot makamba: wat een zeeschildpad mij leerde over culturele diversiteit

Schildpad

“Waar kom je vandaan?”
“Amsterdam.”
“Ja, oké. Maar waar kom je écht vandaan? En je ouders dan?”

Het zal voor veel mensen zonder blond haar en blauwe ogen een herkenbare conversatie op de werkvloer zijn. Tot ik geneeskunde ging studeren, had ik mezelf nooit gezien als iemand met een kleurtje/een tintje/vul hier een andere ‘politiek correcte’ term in. Vergeleken met veel mensen in mijn omgeving zag ik er namelijk vrij Hollands uit. Van mijn eerste dag als geneeskundestudent herinner ik me dan ook vooral mijn verbazing toen ik de collegezaal in stapte: waarom is iedereen hier blond? En we waren nota bene in Amsterdam-Zuidoost.

 

 


Net gewend aan het feit dat ik in het gemiddelde cogroepje het exotische type was (en daarom nog eens gecast werd voor een fotosessie om de diversiteit van de geneeskundestudenten te benadrukken), vertrok ik voor een coschap naar Malawi. Daar viel ik alweer op, maar dan als witte. “Mzungu!” riepen de kinderen in het dorp als mijn collega-coassistent en ik langsliepen. In Kameroen werd ik dagelijks begroet met “Goodmorning white man”, wat nog eens extra verwarring gaf over mijn identiteit, want ik voelde me niet per se wit maar ik was toch zéker geen man.

 

Terug in Nederland en als aios psychiatrie op een polikliniek voor vluchtelingen was ik voor patiënten vooral gewoon ‘de Nederlander’. Mijn patiënten waren hier de uitzondering: zij waren het die anders waren, omdat ze zwart waren, of in elk geval niet-wit. Omdat ze de taal niet spraken en omdat Nederland hen niet als Nederlander wilde accepteren, of, als de patiënt in kwestie nog in een asielprocedure zat, hier in elk geval heel erg lang over na moest denken.

 

Weer een jaar later zat ik een in vliegtuig op weg naar een niet zo wit stukje Nederland. Ik had mijn best gedaan om me voor vertrek alvast wat in het Papiamentu te verdiepen, maar het woord “makamba” was ik in mijn leerboek nog niet tegengekomen. Het bleek een meer of minder denigrerende term voor Nederlander (daar verschillen de meningen nog wat over). Toen een patiënt bij een eerste ontmoeting tegen me zei dat ik ‘maar een halve makamba’ was, besloot ik dat toch maar als compliment te beschouwen. Dat ik ook nog Spaans bleek te spreken, wat uiteraard niet hetzelfde is als Papiamentu maar er wel flink op lijkt, gaf me nog een extra vinkje. Nu was ik een halve makamba die Spaans sprak en ook een tikkie (“un tiki”) Papiamentu.
Maar desondanks bleef ik, en de vele Nederlandse artsen op het eiland met mij, een Nederlander. Een voorbijganger, bovendien, die een half jaar van de Caribische zon zou genieten en daarna weer weg zou gaan. Die zich in hakkelend Papiamentu zou voorstellen, waarna de gesprekspartner uit medelijden dan maar op het Nederlands zou overstappen. Die, alle transculturele psychiatrielessen ten spijt, uiteindelijk toch niet echt iets zou begrijpen van de betekenis van brua (‘zwarte magie’) of het belang van familiebanden op een klein eiland waar iedereen elkaar kent.
“Jullie makamba’s denken dat jullie alles kunnen oplossen zoals jullie dat in Nederland geleerd hebben”, zei de vader van een patiënt na een aantal maanden tegen me. “Maar we zijn hier niet in Giethoorn of Zoetermeer.” Het contrast tussen Zoetermeer en dit tropische eiland kon inderdaad nauwelijks groter zijn. “In onze familie gaat het op onze manier. Niet op die van jullie”, besloot hij en liep de deur uit.


Het was een van de weinige keren dat iemand dit verschil daadwerkelijk uitsprak, maar veel vaker was het onderliggend aanwezig, sluimerend en onder de oppervlakte, soms even de kop boven water stekend en dan weer vlak onder het water verder zwemmend, als de zeeschildpadden die alle makamba’s zoals ik zo graag al snorkelend probeerden te spotten.


Werken in Caribisch Nederland zou je kunnen omschrijven als een “tropenervaring-light”. Het geeft immers niet de cultuurshock van het dorpsziekenhuisje in Malawi of Kameroen, waar de zwangere vrouwen in grote zalen tegelijk liggen te bevallen en de hiv-medicatie in de apotheek al weken out of stock is. Je bent niet de enige mzungu van het dorp die door zijn bijna lichtgevende witte huid al van mijlen ver te herkennen is, maar gewoon een van de duizenden Hollanders die je tegenkomt in hotels, restaurants en beach clubs. De voertaal van het ziekenhuis is Nederlands en in de overdrachtsruimte zonder ramen met witte dokters in witte jassen waan je je soms even in Amsterdam of Zoetermeer.


Omdat er weinig taalbarrière is, is het verleidelijk om te denken dat het met de cultuurbarrière ook wel mee zal vallen. Misschien zijn de verschillen ook wel subtieler. Helaas is subtiliteit nou net niet iets waar wij Nederlanders in uitblinken. De Hollandse directheid waar wij zo prat op gaan, wordt in het merendeel van de wereld simpelweg beschreven als onbeschoft. Het Hollandse idee “Als de patiënt het er niet mee eens is, dan zegt ‘ie het wel,” gaat voor veel patiënten, Caribisch of niet-Caribisch, niet op. Als je dezelfde taal spreekt, zou je ervan uit kunnen gaan dat je elkaar ook per definitie begrijpt. Maar wat was ook alweer de historische reden dat men hier Nederlands spreekt? Juist. Dat maakt het gemak van elkaar verstaan opeens ook vooral pijnlijk.

 

Uiteindelijk heb ik in een half jaar in de Cariben geen enkele zeeschildpad gezien. Misschien keek ik verkeerd of lette ik niet goed op. Of misschien waren we met zoveel makamba’s in het water dat ze geen kans hadden om in de buurt te komen. Toch weet ik zeker dat ze er zijn, zwemmend in de Caribische wateren, maar ook onder de oppervlakte in de Nederlandse spreekkamer. En misschien is dat wel een van de belangrijkste dingen die zes maanden Cariben mij geleerd hebben: onder elk consult zwemt een potentiële zeeschildpad.


Twitter

Nieuwsbrief

Disclaimer/Privacy