Corona-lijfelijkheid: Voer het handen schudden snel weer in!

(Leestijd: 3 - 5 minuten)
Corona-lijfelijkheid

Het is lastig voorspellen hoe het tijdperk na corona er uit zal zien. Sommige dingen zullen wel weer snel worden als voorheen (spandoekloze scholen en verpleeghuizen), sommige afspraken zullen in ieder geval nog een tijdje gelden (1,5 meter afstand) en sommige zaken blijven voor altijd (toename van beeldbellen in de GGZ). Over één maatregel maak ik mij bijzonder veel zorgen, en dat is het handen schudden. Vanuit verschillende kanten heb ik al begrepen dat mensen voorstellen om het handen schudden voor altijd af te schaffen [1]. Ik ben daar een groot tegenstander van. 

 

 

 

 

 

Lichamelijkheid is een belangrijk onderdeel van ons zijn en voelen en aanraken horen daarbij. Ook dieren liggen lekker bij elkaar, vlooien elkaar uitgebreid en paren is voor hen een onderdeel van tijdsverdrijf of conflictbeheersing. Dat aanraking ook voor de mens van levensbelang is blijkt uit allerlei studies over deprivatie bij neonaten en uit onbedoelde veldexperimenten met kinderen van ouders die om wat voor reden dan ook nauwelijks aanraakten. Ernstige psychopathologie en ontwikkelingsproblemen liggen bij deze jongelingen op de loer. Ook volwassen hebben blijvend behoefte aan aanraking. Wie herinnert zich niet die ene schouderklop, dat duwtje in de rug, of die arm om zich heen, die precies datgene was wat nodig was?

Nut en noodzaak van aanraking zijn bedreigd geraakt door #metoo. We lazen allen de nare ernstige verhalen in de media en slachtoffers verdienen erkenning en indien passend meer dan dat. Maar ook de gewone aanraking is daarmee onbedoeld in een slecht daglicht komen te staan. Een schouderklopje van een gelijke mag misschien, maar als het per ongeluk een ondergeschikte of zelf meerdere was, dan zat er toch ineens een verdacht kantje aan. Terwijl een knuffel, een schouder om iemand heen, een hand op een arm zoveel kan beteken. Het kan stress laten afvloeien, mensen terug in het hier en nu brengen, comfort bieden en het er-gewoon-zijn-voor-elkaar onderstrepen. 

 

We zitten als mensen vaak al zo ‘in ons hoofd’. Op basis van statistiek, argumenten en grafieken worden corona-maatregelen toegelicht, voorspellingen gedaan en regels opgesteld. Die rationele benadering neemt niet weg de corona-gevolgen zeer verdrietig zijn. Mensen gaan dood, anderen worden alleen ziek, en voor nog weer anderen is er te weinig zorg omdat reguliere ziekenhuisactiviteiten gestopt zijn. Toenemend voelen individuen en gezinnen de consequenties van de economische schade, blijkt een goede leefstijl onder druk te komen door armoede --met gezondheidsverlies van velen tot gevolg-- en zal terugval in (psychiatrische) problematiek door het tijdelijk stopzetten van bijvoorbeeld dagbesteding voor sommigen permanent blijken. Hoe goed we ook ons best doen om #flattenthecurve, corona raakt ons allen en die trieste conclusie blijft. Niet alles is op te lossen, de treurnis daarvan voelen helpt soms meer dan een meetlat gebruiken. 

Onze lijfelijkheid komt in alle grootsheid tot ons als corona zich meester gemaakt heeft van de mens. Een persoon wordt gereduceerd tot een lichaam met buisjes, draden en slangen, buikligging. Het enige dat telt is voldoende somatische stabiliteit om het lichaam te ondersteunen zelf te herstellen. Verpleegkundigen en dokters doen de hele dag niet anders dan aanraken om dat mogelijk te maken. Praten kan niet meer, de patiënt-mens is geïntubeerd en vaak gesedeerd. De geest doet niet meer mee, er is alleen nog lijf.

De afstand tussen lichaam en geest wordt door de corona-crisis vergroot. Dat dient wellicht een doel, net zoals de bedreiging van de economie een doel dient. Maar het is iets om alert op te zijn. We moeten blijvend doordenken en beschouwen of de gevaren van de toegenomen afstand tussen lichaam en geest niet te groot worden, waar er mogelijkheden zijn om die schade repareren en of (als maatregelen minder noodzakelijk worden) we oude of andere manieren kunnen vinden om onze lichamelijkheid weer te koesteren. 

Elkaar een hand geven is net zoiets als zeggen: ik ben een mens, jij bent een mens; of je nou winkelier en klant, opdrachtgever en opdrachtnemer, twee nog onbekenden op een feestje, of arts en patiënt bent. Het onderstreept dat ondanks de (wellicht nog niet helemaal heldere) feitelijke verhouding die je met elkaar hebt, je ook allebei gewoon ‘bent’. Existentie als gemeenschappelijkheid: ‘jij bent een persoon en ik ook’; dat schept een band. Dat markeren we met een aanraking, een bevestiging van onze lijfelijkheid. 

 

Lichamelijkheid is niet alleen maar iets vies, gevaarlijks of potentieel schadelijks. Het is datgene wat het kind-in-ons zo nodig heeft en maakt dat we zijn wie we zijn: mensen. Juist in de zorg, en in het bijzonder in de geestelijke gezondheidszorg is dit menszijn, die identiteit en het existentiële van groot belang. Laten we dat vieren met een handdruk! Misschien nu even niet, maar alleen al met elkaar bedenken onder welke omstandigheden het straks weer mag door #hebheterover, kan al iets van de waarde van het aanraken goed maken. En daarna snel herinvoeren, dat (desnoods gewassen, gedesinfecteerd en behandschoend) handen schudden.