Positieve Psychiatrie

Positieve Psychiatrie

Eerlijk is eerlijk. Met frisse tegenzin begon ik met het lezen van het boek positieve psychiatrie. Behoudens de naam (wat allitereert ie lekker zeg), was ik nog niet erg overtuigd over de titel. Psychiaters behandelen mensen die lijden en we proberen het lijden te verlichten. Is positieve psychiatrie dan niet een contradictio in terminis? Natuurlijk moeten we opgewekt en positief in het leven staan om onze patienten te kunnen helpen, maar om er een hele nieuwe stroming voor te beginnen – zoals is gebeurd bij de positieve psychologie- stemde me enigszins sceptisch. Niet alleen geloof ik niet dat psychiatrie alleen maar positief kan zijn, ook denk ik dat lijden een belangrijk onderdeel van het menszijn en van ons vak is. Lijden is onderdeel van de condition humaine.

Toch heeft het boek me verrast. Ondanks dat het wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van positieve psychiatrische gespreksvoering (nog) niet is geleverd heb ik mijn vooroordelen enigszins in mijn bureaula kunnen stoppen.

 

En die vooroordelen verdwenen pas na het rampzalige voorwoord en dito inleiding. De een na de andere moderne (en loze) kreet wordt uit de kast gehaald; ik kan me niet voorstellen dat de meeste lezers precies weten wat wordt bedoeld met positieve emoties, verbinding, bewustzijn van hogereordedoelen (?), kunnen vertellen van je verhaal, acceptatie, eigen regie en kracht, empowerment of erkenning. Stuk voor stuk prima woorden, maar een wat onervaren psychiater of psycholoog heeft geen idee wat hiermee wordt bedoeld. Ook zinnen als ‘het reductionistische medische model – het paradigma van de analyse – kan goed worden aangevuld met het functionele oplossingsgerichte model – paradigma van de synthese - waarin het gaat om het ontwerpen van en bouwen aan een uitkomst die er eerder nog niet was’ of ‘gezondheid is daarom een emergente eigenschap van een individu. Er spelen oneindig veel interacties en daarmee oneindig veel oorzaken en gevolgen, die niet meer te ontrafelen zijn’ heb ik meerdere keren moeten lezen zonder dat ik enige betekenis eraan kon geven. Een strenge redacteur zou hier behulpzaam kunnen zijn.

Taal is niet onbelangrijk. De juiste taal gebruiken is essentieel om een patientenpopulatie en een behandelaarsgroep te kunnen bereiken die concreet met je adviezen aan de slag kan in de spreekkamer. Het gebruik van wollige woorden is niet iets wat we willen bezigen omdat het gevaar op de loer ligt dat de betekenis van een minder bekend woord door iedereen anders kan worden geïnterpreteerd. Bovendien is het in de psychiatrie al zo lastig om eenzelfde taal te spreken tussen hulpverlener en patiënt; als we ook nog vaag en wollig gaan doen als hulpverleners onderling, dan is het risico op verwarring groot.

 

Na die valse start brandt het boek gelukkig toch los. De positieve psychiatrie positioneert zichzelf vooral als een belangrijke ‘add-on’, een therapiehouding, die 1) aanzet tot positief denken, 2) de nadruk legt op sterke kanten van een patient en 3) het zelfvertrouwen bij een patiënt versterkt. Toen ik het boek las, voelde ik direct dat deze therapiehouding impact heeft. In onze opleidingen tot psycholoog of psychiater ligt de focus op symptomen bestrijden en kijken we vooral naar problemen en klachten. We hebben het nauwelijks over bijv. de leuke dingen in iemands leven, terwijl dat juist de aspecten zijn in het leven van een patiënt die versterkt moeten worden. Een uur lang mopperen over hoe slecht het gaat lost niets op, echt niets. Het werken aan psychologisch, emotioneel en sociaal welbevinden zijn essentiële factoren om weer beter te worden als patiënt.

De positieve psychiatrie verandert je basishouding als psychiater. Je therapeutische houding in de positieve psychiatrie is niet: wat is het probleem? Maar is, wat is de oplossing voor je probleem? Of hoe kunnen we samen op zoek naar dingen die goed gaan in het leven? Het voelt veel beter om over dingen te praten die beter gaat, dan alleen maar over problemen en klachten te praten. Bovendien, volgens de positieve psychiatrie willen we ook praten over herstel, maatschappelijke betrokkenheid, betekenis- en zingeving. Stuk voor stuk thema’s die heel goed passen in onze behandelkamer. Waar je als psychiater een diepgaand gesprek over kan hebben. En wat we nu nog te weinig doen. Het boek geeft hierin een pasklaar antwoord. Het boek staat vol met heldere en tips en trucs en praktische toepassingen die je als behandelaar aanzetten om anders te denken, om vragen anders te formuleren en gesprekken anders in te steken. Vooral de Q&A aan het einde van het boek is echt een absolute meerwaarde.

 

En dan is er in het boek de focus op oplossingen. Volgens de auteurs komt een patiënt niet voor zijn problemen, maar om over oplossingen te praten. Dat is verfrissend, vernieuwend en geeft een hele andere ‘energie’ aan een behandelcontact. Je hebt het immers voortdurend over herstel, over veerkracht, over hoop en over overwinnen van klachten.

En misschien spreekt de houding me ook wel aan omdat het een vernieuwende kijk geeft op onszelf als psychiater. Wat is er mis om eens wat positiever te zijn in de behandelkamer? Mogen we het een keer hebben over leuke dingen? Kunnen we niet vaker een compliment geven ipv het doorzagen over alle dingen in het leven die niet goed gaan? Allemaal aspecten die de positieve psychiatrie probeert te omarmen. De positieve psychiatrie denkt in veerkracht en herstel. (veerkracht is: ‘kan ik stabiel blijven en tegenslagen het hoofd bieden?‘ herstel is: ‘word ik weer de oude?’), niet aan uitzichtloosheid en frustratie. Het boek geeft je als behandelaar een zet in de goede richting en laat je twijfelen aan je oude vertrouwde manier van werken. Het kan dus toch anders.

 

Het boek roept op voor een verandering in het denken over patiënten. Toegegeven, dat komt af en toe wat Amerikaans over. Altijd maar complimenten geven, de positiviteit benadrukken terwijl iemand keihard aan het lijden is. Dat is iets wat ook het boek nuanceert. Het moet wel gemeend zijn als behandelaar, anders voelt het leeg en onecht. Bovendien beschrijft het duidelijk dat het een add-on is. Het moet niet de huidige behandelingen vervangen, maar het moet een stance, een gesprekshouding zijn zodat ook positieve aspecten worden besproken. Het is geen nieuwe therapiestroming en geen nieuwe behandelvorm die klachten laat verdwijnen. Het moet volgens mij een nieuwe houding zijn in het gesprek met de patiënt.

Daarom is het gek dat de auteurs voorstellen dat het met 3-4 gesprekken afdoende werkt. Daar begrijp ik niets van. In 3-4 gesprekken is het heel lastig om iemand zodanig positief gemotiveerd te krijgen dat hij zelf positief naar zijn eigen toekomst kan kijken. Als je enerzijds predikt dat het een add-on is, hoe kan het dan in 3-4 gesprekken gedaan zijn? Volgens mij moet voortdurend de focus worden gelegd op positieve aspecten in een behandeling? Waarschijnlijk zijn de auteurs daarin nog aan het zoeken, het is niet voor niets een van de eerste boeken over positieve psychiatrie..

 

Concluderend is positieve psychiatrie een fascinerend boek waarin je leert een mooie, energieke gesprekshouding aan te meten en, ook al ontbreekt vooralsnog de wetenschappelijke onderbouwing, iedere behandelaar krijgt wel direct het gevoel dat de positieve gesprekshouding je patient verder kan helpen. Ik blijf echter een beetje sceptisch over de toepasbaarheid door GGZ-werkers. Kunnen die zo enthousiast en positief denken? Kunnen die een enthousiasmerend werkadagium aanmeten? Dat is de grote uitdaging… Kan de hoop en het vertrouwen het winnen van het cynisme in de GGZ? Ik heb er een hard hoofd in, maar ik hoop het.

 

 

Referentie:

Positieve Psychiatrie

Frederike Bannink en Frenk Peeters

ISBN: 9789024420728

Uitgeverij Boom