Een depressie is geen verkeerde mossel

(Leestijd: 7 - 13 minuten)
Taalkracht

Over taalgebruik in de psychiatrie

Mensen die werken als psychiater of psycholoog praten beroepshalve veel. Met andere mensen die werken als psychiater of psycholoog, maar vooral met mensen die als patiënt of cliënt hulp krijgen. In dit stuk gaat het over de taal die daarbij gebruikt wordt.

Wellicht doen de eerste zinnen van dit stuk wat stroef aan. Er had ook kunnen staan: psychiaters en psychologen praten veel, met collega’s en met patiënten. Ogenschijnlijk wordt hiermee hetzelfde gezegd als in de eerste twee zinnen, toch verandert met het taalgebruik de inhoud. In de eerste zinnen is expliciet ruimte voor overeenkomsten tussen psychiaters, psychologen en patiënten, onder andere dat ze (we) allemaal mens zijn. Het individu dat als psychiater werkt, wordt niet gereduceerd tot zijn of haar beroep en het individu dat als patiënt op een spreekuur komt wordt niet gereduceerd tot zijn of haar problemen.

Met taal grijpen we altijd in. Om specifieker te spreken over de psychiatrie: de psychiatrie vormt haar eigen taal, en deze taal vormt de psychiatrie. En daarin hebben we iets te kiezen: in hoe wij (drie mensen werkzaam als psychiater) praten in de spreekkamer, hoe wij onderling praten, hoe wij communiceren op wetenschappelijke congressen en in publicaties. Ons taalgebruik kan zaken buiten zicht houden, denkfouten introduceren en stigmatiserend werken. Deze tekst is een pleidooi voor een taal die open staat voor complexiteit en voor niet-weten; een pleidooi voor iets meer zoektaal en iets minder weettaal.

 Taal is zeg maar echt verdinglijking

Veel weettaal hangt samen met reïficatie, ofwel verdinglijking: dit is het fenomeen waarbij iets abstracts wordt opgevat als iets concreets, ‘een ding’, iets wat werkelijk bestaat. In de psychiatrie is dit ‘ding’ vaak een aandoen-ding. Een ding waardoor je aangedaan kunt zijn. Via reïficatie wordt de beschrijving van een probleem, bijvoorbeeld de angst voor onbekenden, een zelfstandige aandoening: een sociale fobie. Op deze manier hebben we, zonder enige nieuwe informatie of kennis, plotseling een verklaring gevonden voor de angst voor onbekenden, namelijk een sociale fobie. Oftewel: via reïficatie verwordt een beschrijving gemakkelijk tot oorzaak van het beschrevene.

Een voorbeeld van deze transformatie buiten de psychiatrie: dat van de hittegolf (een voorbeeld dat we lenen van een lezing van Trudy Dehue). De afspraak is dat men van een hittegolf spreekt wanneer gedurende vijf opeenvolgende dagen de temperatuur hoger wordt dan 25 graden, waarbij op drie dagen de temperatuur boven de 30 graden uit moet komen. Gedurende een hete week, waarin inderdaad het kwik elke dag boven de 25 graden en drie dagen boven de 30 uitkomt, vraagt iemand: ‘Hoe komt het dat het nu al een week zo ontzettend heet is?’ Wanneer iemand anders antwoordt: ‘dat komt door de hittegolf’, lijkt (is) dit een behoorlijk onzinnig antwoord. Toch komen we in de psychiatrie veelvuldig in precies dit soort cirkelredeneringen terecht.

Een voorbeeld vanuit de psychiatrie: we zien een kind dat beweeglijk is en weinig concentratie heeft. We hebben afgesproken dat we deze combinatie van beweeglijkheid en weinig concentratie ‘ADHD’ noemen. Daarna vraagt iemand: ‘Hoe komt het dat dit kind beweeglijk is en weinig concentratie heeft?’ en wij geven daarop het antwoord: ‘Omdat het kind ADHD heeft.’ Het kind is dus druk omdat hij ‘drukte’ heeft.

Psychiatrisch taalgebruik grossiert in dit soort weettalige formuleringen. Een voorbeeld uit het NOS-journaal: ‘Haar zelfmoordgedachten zijn het gevolg van haar borderlinestoornis’. Of: ‘Door zijn psychose ziet hij allemaal dingen die er niet zijn’.

Het idee dat een depressieve stoornis iemand somber maakt, zoals een verkeerde mossel iemand misselijk kan maken, is een denkfout die zowel het gevolg als de oorzaak van dergelijk taalgebruik is. Wellicht ten overvloede: een depressie is geen verkeerde mossel.

 

 

Niet onschuldig

Dit is geen onschuldige denkfout. Ingewikkelde, fundamentele vragen verdwijnen door zulke cirkelrederingen namelijk uit zicht. Ten aanzien van ADHD: in welke situaties en voor wie zijn drukke, snel afgeleide kinderen eigenlijk een probleem? Hoe is door de geschiedenis heen tegen deze kinderen aangekeken? Wat zijn de voor- en nadelen van het tot individuele stoornis bestempelen van de problemen? Zijn er nog factoren buiten het kind die aan de drukte, impulsiviteit en afleidbaarheid bijdragen? En de belangrijkste vraag: welke (biologische) verschillen tussen mensen willen we eigenlijk ‘behandelen’ en welke verschillen willen we accepteren, misschien zelfs koesteren en waarom?

Al deze vragen gaan verscholen achter een muur van weettaal. Terwijl we eigenlijk pas via het beantwoorden van deze vragen beargumenteerd kunnen kiezen om bepaalde gedragingen en eigenschappen te begrijpen als een stoornis van een individu dat daar een behandeling voor behoeft. Wanneer we denken te ‘weten’ dat psychiatrische stoornissen ziektes zijn, vergeten we, soms achteloos, soms doelbewust, dat psychiatrische stoornissen constructen zijn, menselijke maaksels. Dat achter de stoornissen allerlei aannames en keuzes schuilgaan. En dat wij daar zeggenschap over hebben.

 

 

Weettaal en zoektaal

Weettaal kan worden omschreven als de taal waarmee iets wordt ‘vast’ gesteld, een taal vol gesuggereerde zekerheden. Weettaal biedt vaak perspectief. In sommige (crisis)situaties waarbij acuut handelen vereist is, is een stellige weettaal onontbeerlijk en adequaat. Deze kan echter vaak beperkt worden tot die specifieke situatie. In veel andere situaties is het mogelijk en adequater om onze woorden zo te kiezen dat ze ruimte laten voor nuance, complexiteit en onzekerheid.

We kunnen zoektaal beschouwen als het open alternatief voor de dichte weettaal. Taal die het oordeel, het zeker-weten opschort, waarin gewerkt wordt met voorlopige concepten en verklaringen en die open staat voor alternatieve ideeën.

 

 

Vat een term samen wat ik zie? Of veroorzaakt de term wat ik zie?

Een eerste aanbeveling is om ten aanzien van psychiatrische stoornissen nooit misplaatst te spreken over causaliteit. Stel jezelf de vraag: vat een term samen wat ik zie of veroorzaakt de term wat ik zie? Het kan nooit beide zijn. In plaats van te zeggen: je hebt last van slapeloosheid vanwege je depressieve stoornis, kun je zeggen: je hebt last van slapeloosheid en dat is onderdeel van wat we een depressieve stoornis noemen. Zeg niet: ADHD maakt mensen druk, maar zeg: drukte is een van de kenmerken van wat we ADHD noemen. Zeg desnoods: ADHD is geen verkeerde mossel. Dan ontstaat er ruimte, dan kan naar werkelijke oorzaken gezocht worden, zowel op individueel niveau als op maatschappelijk niveau.

Verdinglijking hoeft overigens niet noodzakelijkerwijs te leiden tot misplaatste causaliteit. Verdinglijking kan worden ingezet als ‘behandeltechniek’. Dit wordt vaak gedaan, alleen vaak niet als zodanig geëxpliciteerd. Je kunt bijvoorbeeld met een mens met somberheidsklachten afspreken: ‘Laten we jouw somberheid een depressie noemen, of de donkerte, of de mossel. Elke keer als die donkerte weer opduikt, kun je dan tegen jezelf zeggen: ja hoor, daar is ie weer, ellendige donkerte, stomme mossel. Maar ik ga ondanks de aanwezigheid van de mossel uit bed, mij aankleden, hardlopen, naar werk.’ Dit kan een behulpzame manier zijn om de gewenste afstand te creëren tussen klachten en persoon, deze niet met elkaar te laten samenvallen. Het maakt het ook mogelijk om een gemeenschappelijke vijand te zien in de donkerte en deze te willen bestrijden. Maar om te voorkomen dat daarmee oorzaken van de depressieve klachten uit zicht verdwijnen, is het nodig te benoemen wat je doet als behandelaar. Oftewel: als je als behandelaar gaat verdinglijken, spreek het af.

 

 

Dimensioneel denken, dimensioneel formuleren

Een andere manier om openheid in taal en denken over psychische klachten te realiseren, is om, zodra de verzekeraar heeft toegezegd de behandeling te betalen, de classificatie-categorieën zoveel mogelijk te verlaten en de dimensies te verwelkomen. Dimensioneel denken wordt ook wel de ‘liniaalmethode’ genoemd. Wij zouden dan kunnen spreken in lijnwoorden. Teken een lijn, eventueel met een liniaal. De lijn staat voor een continuüm waarop je ieder mens kunt plaatsen. Aan de ene kant van de lijn schrijf je bijvoorbeeld ‘volledige concentratie’, aan de andere kant van de lijn ‘constant afgeleid’. Iedereen staat ergens op dat continuüm. Maar waar iemand gemiddeld staat, zegt nog weinig. Iedereen staat vermoedelijk ook op sommige momenten helemaal links op die lijn en in andere contexten helemaal rechts op de lijn. Van diep in de put tot extreem blij. Van geen oog dicht gedaan tot tien uur aan een stuk geslapen. Van superonzeker tot zeer zelfverzekerd. Veel psychiatrische stoornissen zijn op te vatten als hoge gemiddelde scores op veel dimensies, waar lage scores sociaal en maatschappelijk het meest gewenst zijn – en vice versa. Door met dimensies te werken en in lijnwoorden te spreken wordt het duidelijker dat iedereen op elk moment ergens op die lijn staat (we staan niet alleen) en zich bovendien naar gelang context, training, motivatie verplaatst (onze psychiatrische stoornis is geen statisch ‘ding’ dat ons op onze plaats houdt). In de spreekkamer en wachtruimte kan in overleg worden nagedacht over wanneer en waarom het zinvol kan zijn een stoornis vast te stellen en een behandeling te beginnen.

Het idee van dimensies waarop wij allemaal bewegen en de consequenties daarvan voor ons taalgebruik, sluit nauw aan bij het lovenswaardige werk van de groep ‘redesigning psychiatry’ (www.redesigningpsychiatry.org). In hun herijking van psychiatrische zorg stellen zij onder andere voor de taal van de ecologie te gebruiken. Deze taal van de ecologie is ook te beschouwen als een vorm van zoektaal. Er wordt dan gesproken in termen van ‘patronen’ in plaats van symptomen en van gewenste en ongewenste ‘balansen’ in plaats van ziekte en gezondheid. Die balansen overstijgen bovendien het individu, het gaat ook over balans(en) in de samenleving. Wat is daarvoor nodig? Hoe kunnen we diversiteit koesteren? Zijn er niet meer rollen voor meer diverse mensen nodig om een samenleving veerkrachtig en gebalanceerd (en leuk?) te houden? Door op deze manier te denken verandert ook de taal waarin over problemen wordt gesproken. De taal is minder op het individu gericht is en daarmee minder stigmatiserend. De veranderverantwoordelijkheid wordt ook meer gespreid en niet alleen voorbehouden aan de geïdentificeerde patiënt en zijn of haar behandelaar.

 

 

Stigmatisering: zoek het juiste werkwoord

Een ander voorbeeld van weettaal die onze ervaringen mede vormgeeft, is te vinden in de formuleringen waarmee mensen een classificatie op zichzelf betrekken. Sommige mensen geven er in hun taal de voorkeur aan hun classificatie te zijn. ‘Ik ben ADHD-er.’ ‘Ik ben depressief.’ Sommigen om hun classificatie te hebben. ‘Ik heb ADHD.’ ‘Ik heb borderline.’ Weer anderen hanteren een iets zoektaliger formulering en staan expliciet stil bij de aard van het classificeren: ‘Dit worden psychotische kenmerken genoemd.’ ‘Ze noemen het een depressieve stoornis.’ Er bestaan aanzienlijke verschillen tussen psychiatrische stoornissen in de mate waarin de stoornis conceptueel, etiologisch en biologisch is uitgewerkt en dat heeft ook weer gevolgen voor de taal waarin mensen over hun classificatie spreken.

Zo vinden veel mensen gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis het prettiger om zichzelf ‘autist’ te noemen dan ‘iemand met autisme’. Een argument dat hierbij wordt gegeven, is dat autisten en hun behandelaars een autismespectrumstoornis zien als iets wat niet te genezen is, terwijl ‘autisme hebben’ dat wel suggereert. Iemand die niet meer kan zien, heeft geen blindheid, maar is blind. Er zit een zekere emancipatoire kracht in dit taalgebruik. Autisten benadrukken dat hun brein anders werkt, dat zij anders zijn, en dat dit een waarde heeft. Zij verdedigen het belang van neurodiversiteit, van verschillen in neurobiologische aanleg. Vanuit dit perspectief is ook de classificatie ‘neurotypisch’ ontstaan, om (het brein van) niet-autisten mee aan te duiden. 

Mensen zijn, hebben of ondergaan dus hun classificatie en hanteren hier verschillende argumenten voor. Op dit moment vindt er nauwelijks uitwisseling plaats tussen behandelaars en patiënten over elkaars ervaringen en voorkeuren ten aanzien van gebruikte formuleringen. Wanneer dit meer zou gebeuren, is het mogelijk om stil te staan bij de aannames, sentimenten en gevolgen die in de formuleringen huizen. Zo kan gezocht worden naar een meer weloverwogen en bovendien door patiënt en behandelaar gedeelde (werk)woordkeuze.

 

 

Het woordje ‘stoornis’

Dan over het woordje ‘stoornis’, dat we zelf ook in deze tekst hebben gebruikt. In het woordje ‘stoornis’ komt eigenlijk al het bovenstaande samen: het is een lijnwoordloos, vaak stigmatiserend en weettalig geformuleerd aandoen-ding. Het is waarschijnlijk niet voor niets dat dit woordje ook vaak weer van de beschrijving afvalt in het alledaagse taalgebruik. Officieel hebben we het over een depressieve stoornis, een borderlinepersoonlijkheidsstoornis, een autismespectrumstoornis. Toch praten we sneller over depressie, borderline, autisme. Het woordje stoornis stoort. Omdat het inhoudelijk niets toevoegt en wel van alles suggereert.

Exemplarisch is misschien wel de ‘excessief huilen-stoornis’, een begrip uit de DC-05 – een classificatiehandboek voor psychische en ontwikkelingsproblemen van kinderen tussen de nul en vijf jaar. Een kind moet voor de classificatie minstens drie weken lang, drie dagen per week, drie uur per dag huilen; en dit huilen kan niet worden verklaard door een bekende medische aandoening. Verder zijn er nog criteria over de lijdensdruk, kort gezegd: het kind en zijn ouders moeten er last van hebben. Waarom heet dit fenomeen niet bijvoorbeeld ‘veel onverklaard huilen’? Zonder het woord stoornis en zonder de suggestieve term ‘excessief’? Welke informatie zou hiermee verloren gaan? Het kind huilt veel en behandelaren en ouders snappen niet waarom. Dat is alles wat we erover kunnen zeggen. Ook hier voegt het woord stoornis niets toe en suggereert het veel: een nog te ontdekken mankement aan het kind (en dus niet aan bijvoorbeeld de ouder-kindinteractie). Een mankement dat bovendien voor de groep kinderen die deze diagnose krijgen ongeveer hetzelfde zou moeten zijn. Vergelijkbare argumenten gaan op voor ADHD, de laatste D staat immers voor ‘disorder’, stoornis. Wat zou het effect zijn als we die laatste D weglaten: ‘het kind heeft aandachtsproblemen en/of hyperactiviteit?’ Dat zou impliceren dat we nog moeten nadenken over de oorzaak. De term stoornis suggereert dat we die al gevonden hebben.

In ons dagelijks werk zullen we voorlopig het woord stoornis geregeld moeten blijven gebruiken, bijvoorbeeld wanneer we aan collega’s willen vertellen of schrijven waarvoor we iemand behandelen. Door te benoemen dat het classificeren van een stoornis een keuze is waar de ander over kan mee beslissen en door uit te leggen dat dit niet betekent dat iemand iets ‘heeft’ waar hij tot dan toe niet van op de hoogte was, kunnen veel van de genoemde nadelen weggenomen worden.

 

 

Tot slot

Hoe we denken over psychiatrische aandoeningen wordt weerspiegeld in de taal die we gebruiken, maar het werkt ook de andere kant op: wanneer de openheid voor complexiteit en beweging uit onze taal verdwijnt, verdwijnt deze ook snel uit ons denken, dan denken we onszelf dicht en doof. Vaak echter kunnen we onze woorden zó kiezen – minder weettaal, meer zoektaal – dat er ruimte blijft bestaan voor vragen en alternatieve zienswijzen. Dit stuk is bedoeld als duwtje in de richting van die ruimte.

 

 

 

Bram de Ridder werkt als psychiater en is socioloog en schrijver. In 2018 debuteerde hij met de verhalenbundel Andere kamers (genomineerd voor de ANV Debutantenprijs 2019). Maria Groen-Blokhuis werkt als psychiater. In 2014 promoveerde zij op een onderzoek naar de rol van genetische en omgevingsfactoren bij concentratieproblemen en hyperactiviteit. Branko van Hulst werkt als arts in opleiding tot kinder- en jeugdpsychiater en als postdoctoraal onderzoeker. Zijn huidige onderzoek betreft de impact van psychiatrische classificaties op de ontwikkeling van kinderen. In 2016 promoveerde hij op een onderzoek naar interindividuele verschillen in de neurobiologie van kinderen met ADHD. De auteurs publiceerden eerder gezamenlijk over zekerheid en onzekerheid binnen de psychiatrie. 

 

Referentie: Taalkracht. Andere woorden, andere werelden, Leusden: ISVW Uitgevers, 2020