Alcohol en de wet BOPZ

BOPZ

Een voorlopige RM (art 2) voor alcoholafhankelijkheid?

De rechter en griffier, de patiënt met haar advocaat en mijn collega en ik: we zaten allemaal in een vervuilde en verduisterde woonkamer voor de Rechterlijke Machtiging zitting (RM). Er was sprake van een forse alcoholafhankelijkheid waardoor verwaarlozing, zorgmijding en suïcidaliteit. Onderliggend speelde mogelijk een depressieve dan wel een angststoornis, maar door de vertroebeling van al die dagelijkse eenheden alcohol kon ik dat niet hard maken.

 

Ik weet nog hoe zenuwachtig ik werd toen de advocaat van mijn patiënt wees op een arrest van de Hoge Raad uit 2005 en sprak: ‘Zoals de rechter vast weet is alleen alcoholafhankelijkheid niet genoeg voor een RM. Er moet altijd een tweede stoornis vastgesteld zijn. En dat, zo hebben we zojuist allemaal kunnen vernemen, kan mevrouw de psychiater niet constateren.’ De rechter wikte en woog en stelde zijn beslissing uit. We zouden later die dag met de rechtbank mogen bellen voor de uiteindelijke beschikking. De advocaat keek tevreden.

 

Het arrest dat hij ter sprake bracht heb ik meteen gecheckt toen ik weer achter een computer zat. De Hoge Raad vraagt zich in het arrest af of een alcoholverslaving of – afhankelijkheid kan worden beschouwd als een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet BOPZ. Onder geestvermogens wordt dan het volgende verstaan: ‘de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen.’ Dat begreep ik. De Hoge Raad was verder op in het arrest ook best bereid om alcoholverslaving te zien als psychiatrische ziekte. Maar dan komt het. Het arrest noemt vervolgens verderop: ‘[…] moet worden geoordeeld dat alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.’ 

Daar doelde de advocaat dus op.

 

Hierop heb ik de rechtbank gebeld ter overleg, want ik kwam er niet meer uit. Een vriendelijke rechter verwees me vervolgens naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 maart 2017. Hierop onderstreept de Hoge Raad het belang dat ‘de verslaving betrokkene in haar macht’ moet hebben in aanmerking te komen voor vrijheidsbeneming in het kader van de Wet BOPZ. Volgens de geraadpleegde rechter wordt door die opmerking de uitspraak uit 2005 ‘behoorlijk afgezwakt’ omdat de Hoge Raad wel degelijk een opening geeft om een alcoholverslaving te zien als stoornis ‘die de gevaarlijke daden van betrokkene overwegend overheerst.’ Ze adviseerde me: ‘maak ter zitting duidelijk dat de alcohol betrokkene volledig in zijn greep heeft.’

 

Uiteindelijk bleek ik dat kennelijk toch voldoende te hebben gedaan. Toen we die middag naar de rechtbank belden bleek de rechter positief te hebben beschikt over het verzoek. Patiënt werd opgenomen met een voorlopige machtiging.

 

Referenties:

  1. Hoge Raad 2005
  2. Hoge Raad 2017