Kraepelin (1856 – 1926), de grondlegger van de psychiatrische classificatieleer, noemde schizofrenie dementia praecox: een verzamelnaam voor psychosen waarbij vroegtijdige dementie optrad. Die term werd lange tijd breed overgenomen. Zijn tijdgenoot Bleuler (1857 – 1939) vond deze term echter te pessimistisch, niet iedereen met lang bestaande psychoses ontwikkelde dementie, en introduceerde de term schizofrenie (1). Meer dan een eeuw later stelt een recente studie in JAMA Psychiatry een vergelijkbare vraag opnieuw: had Kraepelin misschien toch een punt?
De aanleiding
Mensen met schizofrenie krijgen vier tot twintig keer vaker een dementiediagnose vóór hun 65e levensjaar vergeleken met de algehele populatie; op 80-jarige leeftijd is tot wel 70% gediagnosticeerd met dementie. Over de etiologie is weinig bekend, en deze dementie lijkt niet goed te passen binnen de bestaande diagnostische categorieën. Deze studie onderzoekt of het gaat om een aparte vorm van dementie, en welke factoren daaraan ten grondslag liggen.
Hoe werd dit onderzocht?
In een retrospectieve cohortstudie werden 155 patiënten geïncludeerd met severe, extremely treatment-resistant schizophrenia (SETRS), gedefinieerd als minimaal vijf jaar aaneengesloten opname vanwege primaire symptomen van schizofrenie. Cognitie werd beoordeeld met de Montreal Cognitive Assessment (MoCA) en de Clinical Dementia Rating (CDR). Ter vergelijking maakten de onderzoekers gebruik van de National Alzheimer’s Coordinating Center (NACC) dataset: 24.082 mensen met klinisch bevestigde diagnoses van de ziekte van Alzheimer (AD), fronto-temporale dementie (FTD), Lewy body dementie, of vasculaire dementie, en een controlegroep. Via whole-genome sequencing werd gescreend op pathogene varianten in bekende dementiegenen. In de regressieanalyse keken de onderzoekers ook naar mogelijke andere verklaringen voor cognitieve achteruitgang, waaronder cardiometabole risicofactoren; dit is relevant omdat hart-en vaatziekten vaker voorkomen bij mensen met schizofrenie, en een negatief effect kan hebben op de cognitie.
Wat kwam eruit?
Het SETRS-cohort was logischerwijs jonger dan de dementiegroepen (gemiddeld 59,3 jaar versus 67,4 – 83,8 jaar). Mensen binnen het SETRS-cohort waren gemiddeld lager opgeleid, maar toch had 26% vervolgonderwijs gevolgd, wat erop wijst dat een deel van deze groep voor de ziekte normaal tot goed functioneerde. Van de 155 deelnemers voldeed 98,7% aan de criteria voor een milde cognitieve stoornis (MoCA < 26) en 47,1% aan criteria voor ernstige dementie (MoCA < 10), bij een gemiddelde score van 9,8. De CDR-scores bevestigden ernstige cognitieve en functionele beperkingen.
Op itemniveau werd het cognitieve profiel van SETRS vergeleken met dat van Alzheimer dementie en FTD, gecorrigeerd voor de algehele ernst van cognitieve achteruitgang. Daaruit bleek dat het profiel van de mensen met ernstige schizofrenie duidelijk verschilde van beide dementievormen. Patiënten scoorden slechter op executieve functies en visuospatiële vaardigheden, en ook de aandacht bleek een onderscheidende factor, met name bij de meest aangedane patiënten. Genetisch vertoonde het SETRS-cohort geen verhoogde overlap met bekende dementiegenen en leek het een eigen genetisch profiel te hebben. Antipsychoticagebruik, comorbiditeiten en cardiometabole risicofactoren waren niet geassocieerd met de mate van cognitieve achteruitgang.
Beperkingen van dit onderzoek
Het cross-sectionele design is de belangrijkste beperking. Cognitieve achteruitgang werd niet gemeten maar afgeleid: de onderzoekers gebruiken opleidingsniveau als proxy voor eerder beter functioneren op groepsniveau, maar op individueel niveau kunnen we dit niet vaststellen. Verder is de MoCA eigenlijk niet geschikt om verschillen te meten bij mensen met zulke ernstige cognitieve beperkingen: 47% scoorde al onder de laagste grenswaarde van 10, waardoor je moeilijk onderscheid kunt maken tussen patiënten. Een beperking die de onderzoekers scherper hadden kunnen benoemen is dat de beschermde klinische setting zelf een vertekend beeld kan geven, met de lange gemiddelde opnameduur van 24,5 jaar.
Wat vertelt dit ons?
Dementie bij schizofrenie lijkt een klinisch losstaande entiteit. Maar, wat bedoelen we eigenlijk als we zeggen dat iets een dementie is? Het dementiesyndroom wordt door de NHG gedefinieerd als progressieve cognitieve beperkingen op meerdere domeinen die het dagelijks functioneren beïnvloeden (2). Bij schizofrenie zijn functionele en cognitieve beperkingen echter al jaren aanwezig vóór de eerste psychose, soms tot wel tien jaar daarvoor. Waar ligt dan de grens tussen ernstige schizofrenie met prominente negatieve symptomen en dementie bij schizofrenie? En is het niet simpelweg een laat stadium van een ernstige vorm van schizofrenie? Een gelijktijdig verschenen review in Frontiers in Neurology (3) benadrukt precies deze complexiteit: met de huidige diagnostische instrumenten is het onderscheid tussen cognitieve achteruitgang als kern van schizofrenie en neurodegeneratie in het kader van een “klassieke” dementie nauwelijks te maken. De huidige studie laat echter zien dat het cognitieve profiel van patiënten met ernstige schizofrenie wel degelijk afwijkt van klassieke dementievormen, ook meetbaar met de MoCA, en dat er genetisch sprake lijkt van een eigen profiel. Er lijkt dus wél sprake van een aparte klinische entiteit, maar dit is buiten de gespecialiseerde onderzoekssetting moeilijk vast te stellen.
Dat heeft directe klinische consequenties. Misdiagnose leidt niet alleen tot verkeerde behandeling, maar ook tot ongerustheid bij families over erfelijk risico; juist omdat het hier zo vaak gaat om klachten van vóór het 65e levensjaar, waardoor je bij een dementieel beeld snel aan erfelijke belasting denkt. Wees dus als clinicus terughoudend met de dementiediagnose in deze groep. En vergeet ook niet de lichamelijke kwetsbaarheid van deze groep: roken, gebrek aan beweging, en metabole bijwerkingen komen veelvuldig voor. Dat deze factoren hier niet als verklarend naar voren komen, betekent niet dat ze bij mensen met schizofrenie buiten de kliniek geen bijdrage leveren aan de cognitieve achteruitgang.
Kraepelins samenvoeging moet definitief gezien worden voor wat het is: onjuist en achterhaald. Er is veel heterogeniteit in cognitieve trajecten, en gelukkig ontwikkelt zeker niet iedere patiënt met schizofrenie dementie. Het label blijft dus ingewikkeld, maar de kwetsbaarheid reëel.
Besproken artikel
Pathak US, Mehralizade A, Goldberg TE, Zoghbi AW (2026). Dementia in severe schizophrenia. JAMA Psychiatry. doi:10.1001/jamapsychiatry.2026.0171
Referenties
- Wilschut J (2005). Van dementia praecox naar schizofrenie. Tijdschrift voor Psychiatrie, 47(12), 827–836.
- NHG-werkgroep Dementie (2020). NHG-Standaard Dementie (M21), versie 5.0. Nederlands Huisartsen Genootschap. https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/dementie
- Bednorz A, Religa D (2026). Schizophrenia and dementia across the lifespan. Frontiers in Neurology, 17:1779076. doi:10.3389/fneur.2026.1779076




