Waarom niet elke complotdenker psychotisch is

Een complottheorie en een waan delen iets wat gewone overtuigingen missen: ze wijken niet voor tegenbewijs. Wie gelooft dat een aanslag in scène is gezet, is vaak even onvermurwbaar als de patiënt die zeker weet achtervolgd te worden. En toch zou vrijwel geen psychiater de eerste psychotisch noemen. Waarom niet? Het antwoord ligt niet zozeer in de inhoud van hun overtuiging, als wel in de manier waarop die overeind blijft.

Het voor de hand liggende antwoord

Ons handboek lijkt uitkomst te bieden. De DSM omschrijft een waan als een “vaststaande overtuiging die niet vatbaar is voor feiten die ermee in tegenspraak zijn”; daarbij geldt, in de klinische traditie, dat een waan buiten de sociale orde valt: een denkbeeld dat voor de betreffende (sub)cultuur niet te begrijpen is (1). Dus het complotidee wordt gedeeld, door een gemeenschap van gelijkgestemden; de waan staat alleen. Hoewel dit onderscheid klinisch bruikbaar is loont het toch om wat dieper te graven. Wat in dit onderscheid lijkt te tellen, is hoe wijd een overtuiging verbreid is en of ze in een cultuur past. Dat is een feit over verspreiding, bijna epidemiologisch van aard. Zo’n telling zegt dat de waan alleen staat en het complotidee in gezelschap verkeert. Ze verklaart niet waarom elk van beide zich staande houdt. Daarvoor moeten we kijken wat de overtuiging draagt.

Wat houdt een complotidee overeind?

Het loont te beginnen bij de complotdenker, want daarover is de laatste jaren veel geschreven. Een deel van die literatuur betwijfelt of de aanhanger zijn theorie gelooft zoals alledaagse overtuigingen worden geloofd. De filosofen Anna Ichino en Juha Räikkä wijzen erop dat veel complotaanhangers zich niet gedragen als wie werkelijk overtuigd is: ze verkondigen hun theorie luid onder gelijkgestemden en zwijgen erover bij de huisarts; ze trekken zelden de consequenties die een echte overtuiging zou afdwingen; en een weerlegging die hen zou moeten verontrusten, laat hen onbewogen (2). Dat is niet gezegd om te ontkennen dat sommigen hun theorie oprecht aanhangen; dat doen zij. Het is gezegd om zichtbaar te maken dat de overtuiging voor velen vooral iets dóet: ze laat zien bij welke groep je hoort. Die sociale functie is wellicht de kern. Zulke overtuigingen werken als signalen, zo betoogt filosoof Eric Funkhouser: net als een clublied of een kledingstijl tonen ze de buitenwereld tot welke groep je behoort (3). En juist een ongeloofwaardige overtuiging maakt een geloofwaardig signaal: wie iets absurds napraat maakt zich verdacht bij buitenstaanders, en het is die sociale prijs die de trouw aan de groep bewijst (4). Als dat klopt, is de onwrikbaarheid van het complotidee functioneel. Belangrijker nog, ze is buiten de persoon verankerd. Verander het gezelschap, de prikkels, de gemeenschap die iemand beloont, en de overtuiging kan meebewegen. Zij is in principe bereikbaar, maar zelden langs de weg van het argument.

En de waan?

Waar de complottheorie haar aanhangers van de buitenwereld vervreemdt maar hen met gelijkgestemden verbindt, drijft de waan de patiënt van vrijwel iedereen weg. Geen groep bevestigt de overtuiging, geen publiek is er voor wie zij wordt opgevoerd. Vaak keert de hele omgeving zich ertegen, en toch houdt zij stand. De psychiater Wim Veling en collega’s beschrijven juist dat contrast: waar complotdenkers elkaar vinden, staat de patiënt met een waan vrijwel altijd alleen (5). Het sociale verhaal dat het complotidee zo goed verklaart, ontbreekt. 

De waan is een overtuiging in de volle zin van het woord: de patiënt houdt haar voor waar, redeneert eruit en handelt ernaar (6). Waar het complotidee op armlengte blijft, wordt de waan geloofd zonder reserve. Juist omdat geen publiek haar draagt, moet wat haar overeind houdt elders liggen, vermoedelijk in de persoon zelf. Hier past terughoudendheid, want wat een waan draagt en staande houdt, is omstreden: bij een waan grijpen biologische, psychologische en sociale factoren in elkaar, en de verklaringsmodellen lopen uiteen. Wat zich wél laat vaststellen, is dat de gewone correctie niet aangrijpt; tegenbewijs komt binnen, maar wordt niet in twijfel omgezet. Over veel zaken redeneert de patiënt zoals ieder ander; op dit ene punt lijkt de rede er langs de gewone weg niet bij te kunnen. Dat een antipsychoticum de overtuiging soms naar de achtergrond doet verdwijnen, weerspreekt dat niet: medicatie geven we pas, wanneer woorden tekortschieten.

Bereik of bereikbaarheid?

Zo bezien is het sociale criterium van de DSM – wel of niet gedeeld in iemands (sub)cultuur – de zichtbare buitenkant van iets wat dieper ligt. Dat het complotidee wordt gedeeld en de waan niet, is geen toeval: het eerste wordt door de groep gedragen en beweegt met de groep mee; het tweede rust op niets buiten de persoon en onttrekt zich aan het gesprek. 

Bereikbaarheid en gedeeldheid vallen bovendien niet altijd samen. Een eenling met een zonderlinge, ongedeelde overtuiging is nog geen patiënt, zolang die voor redenen vatbaar blijft. Wat telt, is of een overtuiging nog te bereiken is, en langs welke weg. In de spreekkamer rijst dan de vraag wanneer argumenteren zin heeft en wanneer een ander register nodig is. Het laat ook zien waarom een redenerend gesprek grip krijgt op sommige hardnekkige overtuigingen, maar tekortschiet bij de waan (7). Vooral houdt het, hopelijk, de patiënt in beeld als iemand die werkelijk gelooft: even ernstig als ieder ander, slechts onbereikbaar langs de gangbare weg. Een complotdenker is dus in beginsel niet psychotisch. De een houdt vast omdat het iets oplevert; de ander omdat er iets is ontnomen.

Referenties

  1. American Psychiatric Association. Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5-TR). Nederlandse vertaling. Amsterdam: Boom; 2022.
  2. Ichino A, Räikkä J. Non-doxastic conspiracy theories. Argumenta. 2021;7(1):247–63.
  3. Funkhouser E. A tribal mind: beliefs that signal group identity or commitment. Mind Lang. 2022;37(3):444–64.
  4. Williams D. Signalling, commitment, and strategic absurdities. Mind Lang. 2022;37(5):1011–29.
  5. Veling W, Sizoo B, van Buuren J, et al. Zijn complotdenkers psychotisch? Een vergelijking tussen complottheorieën en paranoïde wanen. Tijdschr Psychiatr. 2021;63(11):775–81.
  6. Bayne T, Pacherie E. In defence of the doxastic conception of delusions. Mind Lang. 2005;20(2):163–88.
  7. Brabban A, Tai S, Turkington D. Predictors of outcome in brief cognitive behavior therapy for schizophrenia. Schizophr Bull. 2009;35(5):859–64.

Geschreven door:

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Ontvang maandelijks een update over de nieuwste artikelen van De jonge psychiater

Gerelateerde artikelen
Opmerking
Opmerking
Hoe zou je deze pagina willen beoordelen?
Heb je een opbouwende opmerking?
Volgende
Laat je e-mailadres achter als we contact met je mogen opnemen over je feedback
Terug
Inzenden
Bedankt voor het achterlaten van je opmerking!