Waarom dit onderzoek?
Onderzoek heeft aangetoond, dat lichttherapie effectief kan zijn in het behandelen van milde/matige niet-seizoensgebonden depressies bij volwassenen (1). Bij adolescenten is hier nog weinig bewijs voor. Om hier beter zicht op te krijgen, is recent een studie gepubliceerd die de effectiviteit van lichttherapie bij adolescenten met een matige tot ernstige depressie onderzocht (2).
Onderzoeksvraag?
Wat is het effect van lichttherapie als aanvullende therapie op depressieve klachten bij adolescenten met een matige tot ernstige depressie?
Hoe werd dit onderzocht?
Dit was een dubbelblinde, gerandomiseerde en gecontroleerde studie, die plaats vond in 4 ziekenhuizen in Duitsland. Deelnemers moesten gehospitaliseerd en tussen de 12 en 18 jaar zijn met als hoofddiagnose een matige of ernstige depressie. Belangrijke exclusiecriteria zijn retina aandoeningen, bipolaire stoornis en schizofrenie. De interventie bestond uit de additie van een 10.000 lux lichtbril aan de gebruikelijke vormen van behandeling op de desbetreffende afdelingen. Gebruikelijke vormen van behandeling waren onder meer psychotherapie in groepsverband en in een individuele setting, muziektherapie, kunsttherapie, sporttherapie, ergotherapie en farmacotherapie (antidepressiva). De controle behandeling bestond uit een additionele behandeling van een 100 lux lichtbril die rood licht uitstraalde, wat ineffectief is, maar wat werd gedaan om de blindering te verbeteren. Beide behandelingen werden in de ochtend voor 30 minuten voor een periode van 4 weken gegeven. De primaire uitkomst was het verschil in de ernst van depressieve klachten (BDI-II scores) bij 4 weken ten opzicht van de baseline. Secundaire uitkomsten waren verschillen in de ernst van depressieve klachten bij 16 en 28 weken, remissie en responspercentages.
Belangrijkste resultaten
Er werden 114 deelnemers in de lichttherapie groep en 110 in de controlegroep gerandomiseerd. Van de deelnemers had 16% (n=36) een matige depressie en 84% (n=188) een ernstige depressie. Na 4 weken toonde de actieve groep een even grote daling van depressieve klachten als de controlegroep (lichttherapie: gemiddeld verschil, −6.6 (95% CI, −8.3 tot −4.9); controle: gemiddeld verschil, −8.6 (95% CI, −10.8 tot −6.4)). Dit verschil was niet statistisch significant verschillend van elkaar. Verschillen in depressieve klachten waren ook bij 16 en 28 weken niet significant verschillend tussen de twee groepen. De remissie en respons percentages van beide groepen toonden eveneens geen significant verschil.
Hoe zal dit onderzoek ons vak veranderen?
Bovenstaande bevindingen suggereren dat lichttherapie niet effectief is als aanvullende therapie bij gehospitaliseerde, adolescente patiënten met een matige tot ernstige depressie. Dit geldt zowel voor het reduceren van depressieve klachten, het voorkomen van remissies als voor het induceren van een therapierespons.
De blindering van dit onderzoek zou niet volledig kunnen zijn geweest, daar patiënten hadden kunnen weten dat rood licht een niet effectieve behandeling was. Dit zou betekenen dat er een onvolledig placebo effect van de controlegroep zou kunnen zijn geweest, wat een onderschatting van de resultaten van deze controlegroep op zou kunnen hebben geleverd. Een studie met een goede placebo controlegroep zou aldus een kleinere kans geven op een significant verschillend resultaat.
Slechts 49 procent van de deelnemers kreeg de volledige behandeling van 20 sessies. Een mogelijke reden voor dit lage percentage is dat de bijwerkingen zouden kunnen hebben gezorgd voor discontinuatie van de behandeling. Het artikel geeft echter geen incidentiegetallen van de veel voorkomende bijwerkingen hoofdpijn en duizeligheid. Als het incidentiegetal van hoofdpijn hoog had gelegen, dan zou in toekomstig onderzoek pijnbestrijding gegeven kunnen worden om compliance met de therapie groter te maken.
Een tweede limitatie is de loss to follow-up van 31 procent bij 16 weken en 49 procent bij 28 weken (geen significant verschil tussen de groepen). Dit is een mogelijke confounding factor die mogelijk verband houdt met de ernst van de depressies bij deze patiënten. Dit zorgt er voor, dat de resultaten van dit onderzoek onbetrouwbaarder zijn.
Bij volwassenen is lichttherapie vooral effectief gebleken bij mensen die niet gehospitaliseerd waren en waarschijnlijk minder ernstige vormen van depressie hadden (1). Aangezien de populatie uit dit onderzoek voor het grootste deel uit adolescenten met een ernstige depressie bestaat, zou onderzoek naar adolescenten met een milde tot matige depressie mogelijk wel een significant verschillend effect aantonen.
Literatuur
- Perera S, Eisen R, Bhatt M, Bhatnagar N, de Souza R, Thabane L, Samaan Z. Light therapy for non-seasonal depression: systematic review and meta-analysis. BJPsych Open. 2016 Mar 4;2(2):116-126. doi: 10.1192/bjpo.bp.115.001610. PMID: 27703764
- Legenbauer T, Kirschbaum-Lesch I, Jörke C, Kölch M, Reis O, Berger C, Dück A, Schulte-Markwort M, Becker-Hebly I, Bienioschek S, Schroth J, Ruckes C, Deuster O, Holtmann M. Bright Light Therapy as Add-On to Inpatient Treatment in Youth With Moderate to Severe Depression: A Randomized Clinical Trial. JAMA Psychiatry. 2024 Jul 1;81(7):655-662. doi: 10.1001/jamapsychiatry.2024.0103. PMID: 38477894; PMCID: PMC10938243.





