Piet Kuiper, was dat niet die psychiater die zelf psychisch ziek werd en daar een boek over schreef? Ruim twintig jaar na de dood van de voormalige kernhoogleraar psychiatrie is vooral zijn laatste werk, de memoires Ver Heen blijven hangen, een beschrijving van zijn doorgemaakte psychotische depressie. Terwijl zijn nalatenschap ook menig toonaangevend leerboek bevat, onder andere Neurosenleer en Hoofdsom der psychiatrie. Kuiper was van 1961 tot 1984 hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam en afdelingshoofd van het Wilhelmina Gasthuis, en had in die tijd veel invloed op zijn vakgenoten en studenten. Wie de man verder was, wisten we alleen van reputatie en dus van die memoires. Biograaf Koen Hilberdink schreef met ‘De Strijd om de ziel’ een intiem portret van Kuiper. Ondanks het zakelijke proza lukt het Hilberdink om de lezer mee te voeren en af-en-toe versteld te doen staan. Hij waarschuwt dat zijn boek niet gelezen moet worden als een weerlegging van Ver Heen, maar ontkomt niet aan meerdere fijnzinnige correcties: de professor blijkt een onverbeterlijke opschepper.
Vanaf het moment dat hij besloot psychiater te worden had Piet maar één doel: hoogleraar worden. Alles moest wijken voor die meedogenloze ambitie, en de drang naar erkenning maakte hem, laten we zeggen, gevoelig voor complimenten. Kuipers dagboekfragmenten en brieven lezen als een who’s-who van Grote Namen waarvan hij trots liet weten dat hij ze kende of gesproken had: Anna Freud, Aldous Huxley, Theodor Adorno, noem maar op. Ze lieten een enorme indruk op hem achter en het hielp als ze ook ontvankelijk waren voor zijn eigen ideeën. Het hoefden overigens niet per-sé intellectuele grootmachten te zijn, ook de populaire Ajaxvoetballer Barry Hulshoff trok zijn aandacht, en hij stuurde hem lange brieven die lezen als puberale liefdesverklaringen. Tragikomisch zijn verder de avondjes die Kuiper organiseerden voor zijn lievelingsarts-assistenten bij hem thuis, die geïnspireerd waren op de legendarische avondbijeenkomsten van Sigmund Freud. Het moesten momenten worden van reflectie en inspiratie, maar ooggetuigen schetsten het beeld van Kuiper op zijn praatstoel en een groep bedremmelde studenten die niets durfden in te brengen uit angst de professor te krenken.
Wie van mening is dat de oorsprong van psychische conflicten in de jeugd ligt, heeft aan dit boek een mooie casusbeschrijving. Piet, de zoon van een streng gereformeerde moeder, groeide op in een klimaat waarin anders-zijn werd bestraft, of beter nog: geen optie was. Hij was, zo staat opgetekend in zijn dagboeken, een talentloze en middelmatige schooljongen, en had een sterke drang zich te bewijzen, en opgekropte frustraties uitten zich in vreselijke driftbuien. Intussen vermeed hij in de jeugd alles wat hem schuldig kon doen voelen, en vooral zijn eigen seksualiteit: Piet was vanaf adolescentie aangetrokken tot jongens maar wist dat dit een zonde was, en gevaarlijk bovendien. Schuldgevoelens over zijn homoseksualiteit blijven een rode draad door het verhaal. Pijnlijk zijn de dagboekfragmenten waarin Kuipers zijn eigen homoseksualiteit verguist, en hoewel hij wel degelijk relaties aanging met mannen, bleef dit altijd een geheim: een psychotherapeut was in de jaren ’50 niet openlijk queer. Hij ging bij een hele rits leertherapeuten te rade, en toen hij een affaire met een jongere vrouw aanging terwijl zijn eigen vrouw zwanger was, werd dit in therapie aangemoedigd omdat het hem van zijn afwijkende seksuele driften zou kunnen bevrijden. Maar ook later hield Kuiper vast aan zijn ideeën over homoseksualiteit als gestoorde seksuele ontwikkeling. Zo was hij eind jaren ’60 nog copromotor van een ordinaire homogenezer en draalde hij tot in de jaren ’80 met het herschrijven zijn leerboek Neurosenleer waarin hij homoseksualiteit pathologiseerde, vanuit angst dat de aandacht op zijn eigen seksualiteit zou komen te liggen. Dan zou hij namelijk risico lopen zijn professoraat te verliezen, iets wat voor hem ondenkbaar was. Toen Kuiper’s invloed aan het einde van zijn carrière toch taande, namen zijn stemmingswisselingen toe. Hij had macht nodig om zichzelf in balans te houden, en toen hij deze definitief kwijt was, verloor hij zichzelf en de realiteit uit het oog.
Strijd om de Ziel zich laat zich niet lezen als een reflectie op de geschiedenis van de Nederlandse psychiatrie. Zo komen Kuipers intellectuele scrupules en carrièrevraagstukken gedurende de Tweede Wereldoorlog uitgebreid aan bod, maar wordt er geen regel gewijd aan het lot van psychiatrische patiënten. Ook de beschrijvingen van de scheiding van de neurologie en de psychiatrie in de jaren vijftig en zestig mist wat diepte. Maar een groot gemis is het niet: als verslag van Kuipers persoonlijke strijd is het boek moeilijk weg te leggen.
Strijd om de ziel – het leven van P.C. Kuiper (1919 – 2002) in de psychiatrie, geschreven door Koen Hilberdink, 352 pagina’s, verscheen op 21 maart 2023 bij Van Oorschot.





