Jonge mensen die in het waterige novemberzonnetje op een bankje zitten. Er klinkt muziek en er hangt een sigarettenwalm. Tot zover zou dit hostel, gevestigd op een matig gezellig bedrijventerrein aan de rand van de stad, nog kunnen doorgaan voor waar het oorspronkelijk voor bedoeld was. Loop je naar binnen dan vallen de rondrennende peuters en kleuters rond en de moeders met kinderwagens. Niet direct het publiek waar je aan denkt bij de gemiddelde backpacker. Als je dan ook de geïmproviseerde barbershop midden in de lobby ziet, de bordjes die in het Nederlands, Engels en Arabisch laten weten dat je je fiets niet binnen mag parkeren en er vervolgens een trits bewakers met portofoon langs je heen loopt, dan wordt het steeds duidelijker dat de mensen hier niet voor een citytrip komen. Deze noodopvanglocatie voor asielzoekers zou oorspronkelijk voor drie maanden gebruikt worden, maar inmiddels is die termijn uitgebreid naar vier jaar.
Op de deur van de doktersassistent hangt een briefje: ‘NO KNOCKING- NO PARACETAMOL’. Ik ga de deur ernaast binnen. Ook alle spreekkamers zijn voormalige hostelkamers. De twee stapelbedden die hier waarschijnlijk vroeger stonden zijn vervangen door een bureau en twee stoelen die hufterproof aan de grond vastgeschroefd zijn. Gezellig is anders.
“Verwijzing in verband met nachtmerries, angst, stress. Gemarteld in land van herkomst. Graag overname ter diagnostiek en behandeling.” Ik bel het telefoonnummer op de verwijsbrief van dhr X, die door de huisarts in het asielzoekerscentrum naar ons verwezen is. De man aan de andere kant neemt op met een vragend ‘hello?’ Ik leg in een mix van Engels en Nederlands uit dat ik bel om een afspraak te maken voor een intakegesprek. “Ok, five minutes“, zegt hij en hij legt neer voor ik kan zeggen dat ik eigenlijk een afspraak voor over een week of twee bedoelde. Maar er heeft net een patiënt afgezegd dus, ja, waarom niet? Het wrange voordeel van werken in een asielzoekerscentrum: iedereen heeft tijd zat.
Vijf minuten later zit mijnheer X inderdaad voor me. Jaar of veertig, grijzig baardje, donkere bril met ernstige ogen erachter. We kijken elkaar met een beleefde glimlach aan terwijl mijn mobiel om de zoveel seconden herhaalt: “We zijn voor u op zoek naar een tolk, een moment geduld alstublieft.” Als de tolk gevonden is vertel ik nogmaals wat het doel van het gesprek is. Hij somt zijn klachten op: continu gespannen, slaapt nauwelijks, nachtmerries, herbelevingen, piekeren. Ik knik en wil doorvragen, maar dan zegt hij: “Ik word vrijdag uitgezet.”
Mijn gedachten over criterium A-B-C van PTSS stokken abrupt.
“Oh” zeg ik.
“Tja” zegt hij.
De man vertelt over zijn gesprek bij de IND. Zijn advocaat. Asielaanvraag afgewezen. Bezwaarschrift. Ook afgewezen. Niets meer aan te doen. Hij steekt zijn handen met de palmen naar boven in de lucht.
En nu dus terug. Terug het land van herkomst. Waar hij volgens de verwijsbrief gemarteld is. Waar hij hoogstwaarschijnlijk die nachtmerries en herbelevingen over heeft. Aanstaande vrijdag.
“Dus dit gesprek heeft voor u dan niet zoveel zin meer, denk ik” zegt de man met een flauwe glimlach.
Hoewel hij daar natuurlijk gelijk in heeft, aarzel ik om het gesprek daadwerkelijk te beëindigen. Moet ik hem nu dan gewoon weer naar buiten sturen? Succes met je nachtmerries en een goede reis? Ik vraag of hij nog vragen heeft. Nee, hij heeft geen vragen. Wat zou hij ook moeten vragen? Ik vraag of ik nog iets anders voor hem kan betekenen. Nee, tenzij ik een verblijfsvergunning voor hem in mijn broekzak heb, hoor ik hem denken.
Hij schudt zijn hoofd, terwijl hij opstaat. Ik loop met hem naar de deur. Hij bedankt me, al weet ik niet waarvoor. Ik wil tot ziens zeggen, maar bedenk me. Goede reis? Sterkte? Het beste. Hij glimlacht beleefd en steekt zijn hand op. Dan valt de deur achter hem dicht. Mijn ogen vallen op de tekst die in zwierige letters op de muur van deze voormalige hostelkamer is geschilderd: ‘Live love travel’.
*Het verhaal van dhr X is een gefingeerde casus, gebaseerd op ervaringen van diverse patiënten





