In de jongvolwassen leeftijdsfase, van circa 16 tot 25 jaar, steken psychische stoornissen, zoals depressieve en angststoornissen, veelal voor het eerst de kop op. Bovendien wordt deze periode gekenmerkt door ingrijpende emotionele en sociale veranderingen. Daarom is vroege en effectieve behandeling cruciaal op deze leeftijd.
Er bestaan echter zorgen over de effectiviteit van psychologische behandelingen bij adolescenten en jongvolwassenen met angst- en depressieve stoornissen. Meta-analyses van cognitieve gedragstherapie (CGT) — de eerstelijnsbehandeling voor depressieve- en angststoornissen bij kinderen, adolescenten en volwassenen — tonen aan dat het effect bij adolescenten kleiner is dan bij volwassenen (Barry et al., 2018); alhoewel sommige studies juist gunstigere behandeluitkomsten voor jongeren rapporteren (Cuijpers et al., 2020). Bovendien is de gemiddelde leeftijd van deelnemers in gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken (RCT’s) naar psychotherapie voor deze stoornissen ongeveer 42 jaar, terwijl de gemiddelde leeftijd van volwassenen die in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) worden behandeld minstens tien jaar lager ligt (Cuijpers et al., 2024). Opvallend is dat slechts een klein deel van de RCT’s specifiek adolescenten of jongvolwassenen includeert.
Wat werd er onderzocht?
Saunders en collega’s onderzochten wat het verschil is in het effect van psychotherapie voor depressieve- en angststoornissen voor jongvolwassenen (16–24 jaar) versus volwassenen in de werkende leeftijd (25–65 jaar).
Hoe werd dit onderzocht?
De auteurs hadden toegang tot een indrukwekkende dataset van alle patiënten die deelnamen aan het ‘Talking Therapie for anxiety and depression’ (TTad) van de Britse National Health Service (NHS). Dit waren evidence-based behandelingen die bestonden uit laag-intensieve (zoals zelfhulp onder begeleiding) en intensievere psychotherapie (zoals CGT). Vanuit andere registers was ook informatie beschikbaar over bijkomende diagnoses zoals ADHD, autisme en verstandelijke beperking, en sociodemografische data.
De primaire uitkomstmaten waren de veelgebruikte en gevalideerde zelfgerapporteerde Patient Health Questionnaire 9-item (PHQ-9) voor depressie en de Generalised Anxiety Disorders Scale 7-item (GAD-7) voor angstklachten. De secundaire uitkomstmaten waren onder andere klinisch herstel, verbetering en verslechtering. De volgende covariaten werden in de analyses meegenomen: gender, etniciteit, buurtarmoede, type diagnose, psychofarmaca gebruik, ernstscores, behandelintensiteit, aantal sessies, en comorbide ontwikkelingsstoornisen.
Wat waren de belangrijkste resultaten?
De definitieve steekproef omvatte 309.758 jongvolwassenen (gemiddelde leeftijd 20.8 jaar, range 16-24) en 1.290.130 volwassen in de leeftijd van 25-65 jaar (gemiddelde leeftijd 41.5 jaar, range 25-65). In beide groepen identificeerden meer participanten zich als vrouw, namelijk 69.4% en 65.2%, respectievelijk.
Jongvolwassenen rapporteerden kleinere veranderingen in symptoomscores tussen de start en het einde van de behandeling dan volwassen in de werkende leeftijd. Dit gold zowel voor de PHQ-9 (b -0,98, 95% CI -1,00 tot -0,96) als de GAD-7 (b -0,77, 95% CI -0,80 tot -0,75). Dit hield stand na correcties voor confounders, al werden de verschillen wel kleiner. Ook wanneer leeftijd als continue maat werd genomen (dus niet als twee groepen jongvolwassenen vs. ouder) werd gezien dat de pre-post behandelverschillen groter waren voor hogere dan voor lagere leeftijden.
Voor de secundaire maten werden vergelijkbare resultaten gevonden: vergeleken met volwassen tussen de 25-65 jaar hadden jongvolwassenen minder vaak een herstel van klachten (41,5% vs. 48,2%) en vaker verslechtering van symptomen (5.9% vs. 5.2%).
In de leeftijdsgroep 25-65 jaar waren de behandeluitkomsten vergelijkbaar tussen mannen en vrouwen. Echter, in de groep jongvolwassenen hadden mannen vaker een herstel van klachten (43,0%) dan vrouwen (40,4%), maar in de verschillende statistische modellen was dit verschil niet significant.
Relevantie voor de praktijk
Het is een zorgwekkende bevinding dat jongvolwassenen in de leeftijd van 16–24 jaar gemiddeld slechtere behandeluitkomsten hebben dan volwassenen van 25–65 jaar. Hoewel een 17–26% lagere kans op herstel op individueel niveau relatief bescheiden lijkt, vertaalt dit zich op groepsniveau naar meer dan 20.000 jongvolwassenen die in dezelfde onderzoeksperiode een klinisch herstel hadden kunnen bereiken.
Bij de interpretatie van deze resultaten moet rekening worden gehouden met methodologische beperkingen. Het betreft observationele data, waardoor geen causale conclusies kunnen worden getrokken. Bovendien ontbraken fijnmazige gegevens over uitkomsten zoals algemeen welbevinden of subjectieve ervaren verbetering. De metingen waren uitsluitend gebaseerd op zelfrapportage, zonder aanvullende informatie vanuit heteroanamnese (bijvoorbeeld ouders of naasten) of klinisch oordeel.
Sterke punten van de studie zijn daarentegen de grote steekproefomvang met volledige landelijke dekking in Engeland, wat de generaliseerbaarheid vergroot, evenals de betrokkenheid van ervaringsdeskundigen bij het onderzoeksontwerp en de interpretatie van de bevindingen.
Er bestaan meerdere plausibele verklaringen voor de minder gunstige behandeluitkomsten bij jongvolwassenen. Een voor de hand liggende verklaring is de relatief hoge prevalentie van (zeer) vroeg beginnende problematiek in deze groep, die doorgaans wordt geassocieerd met hogere ernst, sterkere genetische componenten en een minder gunstige prognose. Data over deze factoren of de duur van de problematiek waren echter niet volledig beschikbaar. Daarnaast kan de levensfase van ontluikende volwassenheid — vaak gekenmerkt door ingrijpende veranderingen zoals zelfstandig gaan wonen, transities in het sociaal netwerk, de overstap van middelbaar naar hoger onderwijs, en het aangaan of beëindigen van relaties — leiden tot extra stressoren die behandeluitkomsten negatief kunnen beïnvloeden.
Een andere belangrijke verklaring is dat de huidige psychotherapeutische interventies onvoldoende aansluiten bij de specifieke behoeften van adolescenten en jongvolwassenen. Jongeren tonen gemiddeld minder behandelbetrokkenheid, zeggen vaker afspraken af en ervaren meer moeite om binnen het volwassenenaanbod in de GGZ hun weg te vinden (NJR Hoodzaken Vraagbaak). Zo wordt van 18-plussers verwacht dat zij zelfstandig afspraken plannen, terwijl deze verantwoordelijkheid in de jeugd-GGZ vaak wordt gedeeld met professionals en ouders (Singh et al., 2010; Gerritsen et al., 2022). Daarnaast ontbreekt in bestaande behandelmethoden regelmatig aandacht voor sociale media, online leefwerelden en andere generatiespecifieke stressoren. Verder zou een systeemtherapeutische benadering misschien beter aansluiten bij deze doelgroep.
Als we deze bevindingen doortrekken naar de gehele populatie in Nederland, betekent dit dat tienduizenden jongvolwassenen suboptimale behandelresultaten hebben vergeleken met oudere volwassenen. Gezien de sterke toename van psychische problematiek is dringend meer onderzoek nodig naar hoe we psychotherapie toegankelijker en effectiever kunnen maken voor jongvolwassenen.
Besproken artikel
Saunders R, Suh JW, Buckman JEJ, John A, El Baou C, Pilling S, Lewis G, Stott J, Krebs G, Stringaris A. Effectiveness of psychological interventions for young adults versus working age adults: a retrospective cohort study in a national psychological treatment programme in England. Lancet Psychiatry. 2025 Jul 29:S2215-0366(25)00207-X.
Overige referenties
Barry TJ, Yeung SP, Lau JYF. Meta-analysis of the influence of age on symptom change following cognitive-behavioural treatment for anxiety disorders. J Adolesc 2018; 68: 232–41.
Cuijpers P, Karyotaki E, Eckshtain D, et al. Psychotherapy for depression across different age groups: a systematic review and meta-analysis. JAMA Psychiatry 2020; 77: 694–702.
Cuijpers P, Miguel C, Ciharova M, Harrer M, Basic D, Cristea IA, de Ponti N, Driessen E, Hamblen J, Larsen SE, Matbouriahi M, Papola D, Pauley D, Plessen CY, Pfund RA, Setkowski K, Schnurr PP, van Ballegooijen W, Wang Y, Riper H, van Straten A, Sijbrandij M, Furukawa TA, Karyotaki E. Absolute and relative outcomes of psychotherapies for eight mental disorders: a systematic review and meta-analysis. World Psychiatry. 2024 Jun;23(2):267-275.
Gerritsen SE, van Bodegom LS, Overbeek MM, Maras A, Verhulst FC, Wolke D, Rizopoulos D, de Girolamo G, Franić T, Madan J, McNicholas F, Paul M, Purper-Ouakil D, Santosh PJ, Schulze UME, Singh SP, Street C, Tremmery S, Tuomainen H, Dieleman GC; MILESTONE consortium. Leaving child and adolescent mental health services in the MILESTONE cohort: a longitudinal cohort study on young people’s mental health indicators, care pathways, and outcomes in Europe. Lancet Psychiatry. 2022 Dec;9(12):944-956.
Nationale Jeugdraad (NJR) en Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie (KJP), Hoofdzaken, Vraagbaak https://www.njr.nl/nl/projecten/vraagbaak/
Singh SP, Paul M, Ford T, et al. Process, outcome and experience of transition from child to adult mental healthcare: multiperspective study. Br J Psychiatry 2010; 197: 305–12





